Snotneus.

Ophef bij de KRO-NCRV. In de uitzending van het televisieprogramma Brandpunt van afgelopen dinsdag noemde presentator Fons de Poel het GroenLinks-Kamerlid Jesse Klaver een ‘snotneus’. Klaver werd genoemd in verband met het onderwerp van de bewuste uitzending: de positie van ABN Amro. De Poel nam het daarbij op voor de hoge bazen van de bank, schijnbaar in de veronderstelling dat die bazen niet bij machte zijn dat zelf te doen, en beschrijft Klaver’s acties en uitspraken derhalve nogal schamper. Na een fragment waarin Klaver spreekt, reageert De Poel met ‘snotneus’.

Toegegeven, dit soort acties zijn we normaal gesproken vooral van Herman van der Zandt gewend. Meestal is de timing dan beter en spat de onderkoeldheid ervan af. De Poel, daarentegen, overtuigd humoristisch niet erg en komt ietwat gefrustreerd over. Hij lijkt het zich, als een onvervalste internetreageerder, veel te persoonlijk aan te trekken. Daar blijkt echter meer achter te schuilen: De Poel klust zo nu en dan bij bij ABN Amro. Het zaakje ruikt dus een beetje naar WC-Eend, en daarom gaat de KRO-NCRV nu in beraad over De Poel.

Wat mij betreft moet de uitkomst tweeledig zijn. Enerzijds verdient De Poel een stevig gesprek over zijn bijverdiensten. Die zijn namelijk principieel niet zo goed te combineren met de journalistieke pretenties van Brandpunt. Bovendien zou De Poel zich eens moeten afvragen waarom bankiers beschermd zouden moeten worden tegen kritische geluiden vanuit de politiek: was (en is) dat namelijk niet de kern van de problemen in de financiële wereld? Anderzijds wil ik De Poel een omhoog gestoken duim toespelen. Hij heeft immers het prachtige, oer-Hollandse ‘snotneus’ weer in onder de collectieve aandacht gebracht. Want hoe we het ook wenden of keren: er is geen mooier, gepaster woord om je minachting voor iemand kenbaar te maken. Geen woord zo duidelijk lakend als ‘snotneus’. Een verfrissend geluid in een discours dat momenteel vooral gedomineerd wordt door ziektes en Engelse leenwoorden.

De Poel mag wat mij betreft dan ook blijven. Maar alleen op de voorwaarde dat hij het woord ‘snotneus’ blijft gebruiken, en zorgt dat hij de term voor de rechtmatige snotneuzen hanteert.

Blij met V&D

V&D heeft een website geopend waarop iedereen hardop mag meedenken over een nieuwe strategie voor de winkelketen. Nadat V&D in de afgelopen maanden naar verluid langs de rand van een faillissement is gegaan, wordt nu alles op alles gezet om het bedrijf er weer bovenop te krijgen. Termen als ‘loonoffer’ en ‘huuronderhandeling’ vlogen ons daarbij om de oren, en met de website Blij met V&D kunnen we ‘strategiesuggesties’ aan dit bijzondere rijtje toevoegen.

Het is een wat merkwaardige stap, maar misschien wel één die ‘oude’ bedrijven vaker zullen moeten gaan overwegen. V&D is, net als zoveel ondernemingen, ooit begonnen omdat de stichtende ondernemers een ‘gat in de markt’ zagen. Zij zagen én creëerden een behoefte, en speelden daar met hun bedrijf handig op in. Eigen ideeën en waarnemingen vormden de basis van de strategie. Juiste strategische keuzes verleidden de klant en rechtvaardigden zo het (voort)bestaan van de winkel. Klassiek ondernemerschap.

Sinds de oprichting van de V&D is er echter ruim honderd jaar verstreken. De oorspronkelijke gaten in de markt zijn tot over de rand gevuld en de klant koopt inmiddels niet vaak genoeg meer bij de keten om het voortbestaan ervan te kunnen garanderen. Mede vanwege de leeftijd en de grootte van het bedrijf, doet het interessante verschijnsel zich nu voor dat de ondernemers niet langer zien welke gaten in de markt er nog bestaan en welke strategische keuzes er gemaakt moeten worden. Onder de klassieke bedrijfseconomische wetten zou V&D ten dode opgeschreven zijn: de onderneming doolt blind rond. Maar in plaats daarvan wordt de ondernemersvraag nu naar de klant omgebogen. Hoe denkt die zelf tot kopen te verleiden te zijn? De vraag zo direct aan de klant stellen, is wellicht de laatste sparteling van het bedrijf, maar het kan net zo goed de weg omhoog betekenen.

In het geval van V&D speelt er nog een andere overweging mee. De keten vormt één van de hoekstenen van de Nederlandse winkelgebieden. Ze huist doorgaans in de grootste, meest uitgesproken panden, op de belangrijkste locaties. Bij de V&D hoort voor veel Nederlanders bovendien een flinke scheut nostalgie. De winkel is onderdeel van het collectieve bewustzijn en een onmiskenbaar onderdeel van de Nederlandse openbare ruimte en winkellandschap. Ze is een bijna een soort openbare instelling. Vanwege dat collectieve belang zien veel Nederlanders het bedrijf liever slagen dan ten onder gaan, zelfs als ze er zelf nooit iets kopen. Hoewel dat laatste natuurlijk precies de reden is waarom V&D nu in haar voortbestaan bedreigd wordt, is de betrokkenheid van het publiek in elk geval een positief signaal. De vraag blijft echter of de klant weet wat ze wil.

Een Geruststelling voor Chauvinistische Varkens

De laatste jaren klinkt regelmatig het klaaglied van de echte man. Het zou hem niet meer lukken te zijn wie hij eens was, omdat onze maatschappij steeds vrouwelijker geworden is. Nederland is “doorgefeminiseerd”. In een opiniestuk in de Trouw zet Michael van Eekeren mannelijke en vrouwelijke waarden tegenover elkaar. Hij stelt dat de mannelijke waarden van ‘verstand’ en ‘realisme’ nu onderdrukt worden door de zwakkere en onhandigere vrouwelijke waarden als ‘gevoel’, ‘mededogen’ en ‘idealisme’. Laat de man dit zomaar gebeuren? Neen! Hij laat een dikke baard staan (welke zijn vrouw haat), eet een halve koe en drinkt liters whisky. Dat is allemaal onnodig. Onze wereld is nog altijd een mannenwereld, een geruststelling voor chauvinistische varkens.

Ik kocht laatst een fiets met nogal wat roestplekken en besloot daar iets aan te doen. Eerst zocht ik enkele huisvrouwenmiddeltjes tegen roest, want als echte man houd ik me daar normaliter niet mee bezig. Soda en azijn werden geadviseerd. Met dit advies op zak toog ik naar de supermarkt en kocht ik deze zaken en schoonmaakhandschoenen om het vieze klusje met schone en droge handen te volbrengen. De handschoenen die ik kocht waren de grootst beschikbare, maar bleken desonanks thuis niet groot genoeg. Ik paste ze enkel door de elasticiteit van het gebruikte materiaal. Het was duidelijk dat deze handschoenen niet bedoeld waren voor mijn grove, stoere mannenhanden, maar gefabriceerd waren voor kleinere, fijnere vrouwenhanden. Blijkbaar gaat de Albert Heijn ervan uit dat schoonmaken een vrouwenklusje is. Als Albert Heijn dat vindt dan is dat waarschijnlijk ook zo.

Top Gear

Ik volg Top Gear al meer dan tien jaar. Ik weet niet eens meer precies hoe ik het programma ooit op het spoor ben gekomen, maar als jochie van 13 ben ik waarschijnlijk tijdens het zappen door het programma gegrepen. Seizoen twee was bezig, en ik zag drie mannen die in auto’s reden en daarover naderhand grappend spraken in een vrijwel lege hal. Voor mij, als levenslange autofanaat, waren die auto’s vermoedelijk de voornaamste reden om te blijven kijken. De spoeling voor autoprogramma’s was dun en bovendien waren de meeste van die programma’s tenenkrommend slecht. Het gros is dat nog steeds, trouwens. Maar in 2003 werd elke seconde die gewijd was aan vier banden, een stuur en een motor, hoe slecht ook, door mij gekoesterd.

Maar al snel merkte ik dat Top Gear anders was en iets nieuws bracht. Ik zag mannen die begrepen wat het betekent om een liefhebber van auto’s te zijn. Zij snapten dat liefhebbers (en 13-jarige jongetjes; die twee categorieën vallen nogal eens samen) niet geïnteresseerd zijn in gedegen consumentenadvies over hoofdruimte achterin of de mogelijke kleurencombinaties en de bijbehorende prijzen. Dat is informatie die voor de consument relevant is, wanneer hij of zij op zoek is naar een geschikt vervoersmiddel. Echte autofanaten, daarentegen, zien de auto niet louter als middel, maar als doel op zich. Dat doet ertoe, aangezien de band en omgang met een doel fundamenteel anders is dan de omgang met een middel. De relatie met het doel is ten diepste persoonlijk en contextueel, waardoor de rationaliteit het steeds verliest van ondoorgrondelijke, subjectieve voorkeuren en ervaringen. Anders gezegd: voor autoliefhebbers is objectiviteit met betrekking tot een auto volstrekt irrelevant. Wat telt, is de mate waarin de auto zoiets vaags als ‘passie’ weet op te roepen. En Top Gear begreep dat.

In de afgelopen 12 jaar heb ik geen enkele aflevering gemist; de meeste episodes heb ik meerdere keren gezien. Een groot deel van mijn Engelse vocabulaire is zelfs rechtstreeks terug te voeren op die poky motoring show. De show werd na verloop van tijd merkbaar professioneler, groter en spectaculairder. Maar ondanks alle opsmuk bleef de kern in wezen hetzelfde: de auto als persoonlijke beleving stond centraal. Wat je ook van Top Gear vindt, of van de boodschap die het uitdraagt, het programma wist wel haarfijn de vinger te leggen op wat het betekent om een autoliefhebber te zijn. Om te zien dat je met je gekke verhouding tot blik, olie en metaal gelukkig niet de enige bent. En om te delen in het plezier van andere liefhebbers, die snappen dat een auto meer kan zijn dan de som van zijn afzonderlijke onderdelen.

Jeremy Clarkson, het onbetwiste boegbeeld van Top Gear, kreeg afgelopen week te horen kreeg dat zijn contract bij de BBC eind deze maand niet vernieuwd zal gaan worden omdat hij fysiek geweld tegen één van de producers gebruikt heeft. Wat mij betreft is dat volkomen terecht: zulk zinloos geweld kan en mag niet getolereerd worden, of je nu Jeremy Clarkson heet of niet. Maar met Clarkson komt ook een eind het Top Gear dat we nu 13 jaar lang kennen. De kans is namelijk groot dat ook James May en Richard Hammond zonder Clarkson niet door willen met het programma. Dat begrijp ik, of sterker: ik verwacht eigenlijk niet anders. De fijne, complexe chemie tussen de drie presentatoren is met de jaren één van de hoekstenen van het programma geworden. Wanneer alleen Clarkson wordt vervangen, verliest het presentatorentrio de gedeelde geschiedenis, terwijl dat nu juist één van de krachten achter de geslaagde onderlinge verhoudingen is.

Op dit moment zijn er allerlei vervolgscenario’s mogelijk. Het waarschijnlijkst is dat de BBC doorgaat met Top Gear, maar pas nadat het bedrijf drie nieuwe presentatoren (m/v) heeft aangesteld. Ik zal zeker kijken: de formule van Top Gear is nog steeds de moeite waard. De vraag is of de drie nieuwelingen in staat zijn net zo’n interessante driehoeksrelatie te smeden als hun voorgangers. Er is hoop: de vorige drie zijn ook tamelijk willekeurig bij elkaar gezet. Voor het oude Top Gear-trio hoop ik dat een andere omroep zich aandient, bij voorkeur zelfs één waarbij ze de schaal iets moeten terugschakelen. Wat ze daar ook gaan doen: laat ze zo af en toe in een auto zitten. Laat die liefhebber zo nu en dan een glimp zien van de passie die elk van de heren voor auto’s heeft. Dat stelt mij, als verdwaalde autoliefhebber, gerust en zorgt er bovendien voor dat we niet één, maar effectief twee verschillende Top Gears zullen hebben. Met dat vooruitzicht kan ik wel weer 13 jaar vooruit.

Baardsecretaris

Nadat Ivo Opstelten en Fred Teeven anderhalve week geleden opstapten, werd de zoektocht naar twee opvolgers voor de voormalige minister en staatssecretaris gestart. Inmiddels zijn ze dan gevonden: Ard van der Steur zal als nieuwe minister van Veiligheid en Justitie ondersteund worden door de nieuwe staatssecretaris Klaas Dijkhoff. Van hen weet en vind ik verder niets, maar toch wil ik de benoeming van Dijkhoff voorzien van een gepast applausje. Met hem keert er na een lange afwezigheid namelijk weer een (bescheiden) baard terug in een Nederlands kabinet.

Hoewel de baard in onze samenleving en onder invloed van het hedendaagse modebeeld eerder regel dan uitzondering is, schittert deze in vak K al enige jaren door afwezigheid. Gezichtshaar is in het algemeen niet moeilijk te vinden in de lijst van opeenvolgende kabinetten: een snor komen we in allerlei vormen en formaten in bijna elke kabinetsperiode wel ergens tegen. Maar naar een baard is het aanmerkelijk grondiger zoeken. Mijn onderzoek naar baarddragende bewindslieden bracht mij naar Herman Heinsbroek als Dijkhoffs directe baardvoorganger. Hij was in 2002 (zeer kort) minister en droeg, net als ikzelf overigens, een wat halfslachtig baardje. Niettemin: gezichtshaar van oor tot oor. Maar 2002 is inmiddels wel al ruim 13 jaar geleden. Dat zijn 13 aaneengesloten jaren waarin baarddragers zich niet zichtbaar gerepresenteerd zagen in hun regering.

Toen ik nog iets verder naar regerend baardhaar groef, merkte ik dat het probleem groter was dan ik in eerste instantie had vermoed. Van 2002 moeten we namelijk helemaal terug naar 1982 voordat we weer een baard van betekenis tegenkomen. Met Jaap van der Does had baarddragend Nederland destijds, zij het wederom kort, een waardige vertegenwoordiger in de functie van staatssecretaris. Natuurlijk, staatssecretaris Jaap Scherpenhuizen droeg in 1986 weliswaar een sik waarin je je volledige bestek kon kwijtraken, maar een baard mag het toch zeker niet genoemd worden. En wat voor baas staatssecretaris Jan Schaefer van 1973 tot 1977 ook was, een goatee blijft een sik. Maar zelfs zulke flinke sikken kunnen niet verhullen dat er tussen 1981 en 1939 geen enkele baarddragende minister of staatssecretaris te vinden is. Een absurde realiteit. Pas met Jan Rudolph Slotemaker de Bruin vinden we eindelijk weer een wollig gezicht in de Nederlandse parlementaire geschiedenis. Maar dus wel pas in 1939. We kunnen dus constateren dat de baard met maar drie dragers over een periode van 76 jaar behoorlijk ondervertegenwoordigd is.

Ondanks de inspanningen van vrijwel uitsluitend Japen en Jannen in de Tweede Kamer, is een fikse dosis gezichtshaar de afgelopen decennia bijna van het politieke toneel verdwenen. Baarddragende premiers als Pieter Cort van der Linden, Nicolaas Pierson, Julius van Zuylen van Nijevelt en hipster avant-la-lettre Gijsbert van Tienhoven draaien zich waarschijnlijk hoofdschuddend en baardbedekkend om in het graf. Gelukkig gloort er met de aanstelling van Dijkhoff weer hoop aan de horizon: de baard is terug. ‘Klaas’ als vervolg op de reeks ‘Jan-Jaap-Herman’. Het is voor Dijkhoff te hopen dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de lengte van de baard en de lengte van de ambtsperiode. Anders kon het namelijk wel eens een erg korte rit worden.

 

Grappen en grommen

Dit stukje verschijnt wat later dan dat ik net doe alsof u van ons gewend bent. Ik had namelijk een gedeelte van een stukje geschreven over het voorval omtrent de ontslagen Nieuw-Zeelandse X-Factorjuryleden, en hoe onterecht het was dat zij wel ontslagen waren, maar de regisseur, redactie en editors die de vergruisde uitspraken bij de juryleden hadden uitgelokt en daarna in de uitzending hadden gemonteerd wel hun baan mochten houden. Tijdens het onderzoeken kwam ik er echter achter dat de uitspraken werden gedaan in een liveuitzending en dat de door mij aangesproken personen op dat moment ook geen grip op de zaak hadden (begrijp me niet verkeerd, het is alsnog hoogstwaarschijnlijk dat de juryleden flink zijn opgejut en op z’n minst in de rol van strenge/negatieve van het stel zijn gezet door de redactie.)

Toen ik dit besprak met mijn collega’s hier bij MMeM, bleek het een vaker voorkomend probleem te zijn dat je halverwege een stukje erachter komt dat je oorspronkelijke standpunt onjuist was en je een paar uur aan werk onceremonieel de digitale prullenbak in kunt keilen. Ik stelde dat het verschrikkelijk onbevredigend is als je gerechtigheidserectie door je eigen onoplettendheid teniet wordt gedaan.
“Precies. Blauwe ballen van je eigen tekortkomingen. Op zo’n moment kun je beter maar sadomasochist zijn,” zei Joop den Toonder.
“Maar ja, daar kan je niet zomaar voor kiezen. Het is geen homoseksualiteit,” antwoordde ik.
Ik hoop dat ik hier niet hoef te vertellen dat dat laatste een grap is. Homoseksualiteit is geen keuze.

Het X-Factorvoorval en mijn eigen grapje deden mij denken aan vorig jaar toen zanger Gordon bij het programma Holland’s Got Talent een weinig grappige en behoorlijk denigrerende opmerking over een Chinese deelnemer maakte. Gordon vroeg; “Welk nummer ga je zingen, nummer 39 met rijst?” Rond die tijd speelde ook een kwestie rond een jongen die bij een sollicitatie was afgewezen. Hij kreeg per ongeluk een mail toegestuurd die bedoeld was als interne mail, waarin de redenen om hem af te wijzen werden opgesomd. Nummer één; hij is “een donker gekleurde (neger).” Dat was natuurlijk een grap, maar werd in veel media niet als zodanig behandeld. De man die de mail verzond is zelfs vervolgd voor discriminatie. Dat vond ik eng, omdat ik zelf ook wel eens soortgelijke grappen maak (zie de vorige alinea).

Er werd nogal wat gepraat over racisme en in welke mate dat moet worden toegestaan in humor. Er zijn echter twee behoorlijk verschillen in de grapjes zoals die van mij en de mailschrijver, en die van Gordon. De eerste is de manier waarop ze grappig proberen te zijn. Als ik zeg dat homoseksualiteit een keuze is, weet iedereen die mij enigszins kent dat ik dat niet meen, maar de mensen die die mening wel hebben persifleer. Ik probeer de absurditeit van die mening over te brengen. Ik doe geen aanval op de homoseksuelen, maar op diens aanvallers. Ik ben van mening dat de mailstuurder een zelfde soort grap maakte. Gordon’s grap daarentegen ‘werkt’ op een andere manier. Hij maakt een opmerking conform een stereotype en hoopt op herkenning bij zijn publiek. Het is een woordgrap die speelt met het feit dat het woord ‘nummer’ meerdere betekenissen heeft, maar werkt alleen als het publiek erkent dat Aziaten bij afhaalchinezen werken en dat het OK is om bij iedere Aziaat die connectie te maken. Waar de mailstuurder sarcasme en ironie gebruikte om vooroordelen te ontkrachten, bevestigt Gordon ze alleen.

Het tweede grote verschil is het beoogde publiek. Het was nooit de bedoeling dat de jongen in de negermailkwestie die opmerking onder ogen kreeg. Het was jammer dat dat wel gebeurde, en het is begrijpelijk dat hij aanstoot nam. Als de mail echter binnen het bedrijf was gebleven zou de beoogde ontvanger misschien wat gegniffeld hebben en zou de sollicitant niets gemerkt hebben. Mijn grapje was binnen de MMeM-redactie vermakelijk, maar als een homo dat zou zien zonder mij of de context te kennen en geschoffeerd zou zijn, zou ik diegene niets kwalijk nemen. Dingen zijn privé met een reden. Dat is niet altijd om een geheim geheim te houden, maar ook om een onbeoogd publiek te beschermen. Gordon brulde zijn grap echter over nationale televisie en, nog veel erger, in het gezicht van een deel van de bespotte bevolkingsgroep. Dat is moedwillig kwetsen en mijns inziens veel kwalijker dan het achter de rug om maken van een grap.

De Stad Nederland

In Nederland hebben we geen natuur. Het beetje groen dat we hier hebben mag de naam natuur niet dragen, omdat het per definitie alles is wat niet door mensen gewijzigd is. Wij hebben overal met onze handen aangezeten en in genade besloten dat sommige moerassen mogen blijven bestaan. Deze vervullen eigenlijk vaak de functie van stadspark. Het is ironisch dat het pronkstuk uit de film De Nieuwe Wildernis, staatsmonument de Oostvaardeseplassen, het gevolg is van de drooglegging van de Flevopolder, een machtig menselijk ingrijpen om de natuur te temmen. Misschien wordt het tijd om te accepteren dat de mens het hier van de natuur gewonnen heeft. Nederland is een stad geworden en dat is helemaal niet erg.

Wie wil er wildernis in ons landje? De natuur hier de vrije loop laten, heuse wildernis, zou gevaarlijk veel water betekenen. Grote delen van ons land horen niet permanent te bestaan. Onze voorvaderen hebben een prachtige prestatie geleverd en goed bewerkbare stukken land gecreëerd. In de loop der eeuwen hebben we Nederland vormgegeven en comfortabel gemaakt. Dat is fijn en goed. We leven in een fantastisch land. We kunnen niet alles hebben. Voor natuur hoeven we overigens niet eens zo ver te reizen. We zijn toch allemaal Europeanen. De Europese natuur is onze natuur.

In De Nieuwe Wildernis wordt geheel in de stijl van de bekende natuurdocumentaires van de BBC een al te romantisch beeld van de Oostvaarderseplassen geschetst. De filmmakers hebben duidelijk moeite gedaan om elektriciteitspalen, treinspoor en dijk buiten beeld te houden en proberen ons een plaatje voor te schotelen waarin het gebied een woest gebeuren is, waar dieren ongestoord hun circle of life voltooien. Het ziet er prachtig uit en het zette me aan het denken. Wat deze dieren wat mij betreft beter laten zien is aanpassingsvermogen in een land dat door mensen vormgegeven is, ons Nederlandse stadsleven. Als ze zich niet aanpassen gaan ze dood. Er zijn heel veel dieren die het loodje leggen in de documentaire.

Het feit dat de Oostvaarderseplassen een belangrijke rol speelt in de trek van een grote groep vogels bewijst niet dat dit gebied wild is, maar laat juist zien dat dieren niet per definitie ongerepte wildernis nodig hebben om hun gang te gaan. Het laat zien dat een klein rustgebiedje temidden van onze herrie en drukte genoeg is. Veel dieren passen zich aan en sinds wij ze niet meer afknallen voelen ze zich waarschijnlijk steeds beter op hun gemak. Bij Station Amsterdam Sloterdijk lopen ‘s nachts honderden konijnen rond. Een paar maanden geleden liep ik van het station naar huis en zag ik een vos. Ik vond het fantastisch om zo’n beest te zien rondwandelen over een asfaltweg. Na de stadsduif en de reiger nu de vos. Misschien hebben we straks stadswolven en stadsberen. De vos laat zien dat wilde dieren prima stadsdieren kunnen zijn. Vannacht nog zag ik een uil op een hek zitten bij hetzelfde station.

Misschien kunnen we ons beter richten op de ontwikkeling van een megastad, opdat wij hét stedelijke gebied van Europa zullen worden. Daar is ons onnatuurlijke land uitermate geschikt voor. We maken niks kapot door dit gebied verder te ontwikkelen. De kwetsbare natuur die we hebben, hebben we toch kortgeleden zelf gemaakt. Laten we deze rol van megastad omarmen en mensen wegtrekken uit de gebieden waar wel oeroude, kostbare en kwetsbare natuur is.

Hero’s geschiedenislessen.

Ik schrijf dit stukje met bedenkingen. Ik ga het namelijk hebben over de uitspraken van Hero Brinkman over klassieke muziek. Ik ben bang voor het Swiebertje-effect. Als professioneel muzikant komen mij vaak uitspraken of artikelen over muziek onder ogen, geschreven voor en door leken, waar fouten of onwaarheden in staan waar ik mij aan stoor. Ik ben erg gepassioneerd over muziek en deze ergernissen zijn een dankbare bron van inspiratie voor stukjes. Toen ik mijn zorgen uitspraak dat ik vast kom te zitten in het boze-stukjes-over-muziek-hoekje, zeiden mijn collega’s bij MMeM echter dat ik mij geen zorgen hoefde te maken, dat ik allang vast zat in dat hoekje. Dat heb ik maar geaccepteerd.

Afgelopen donderdag verscheen er een stukje op de website van HP/De Tijd met een interview met Hero Brinkman over cultuursubsidies, met name die naar klassieke muziek gaan. Brinkman zegt dat zijn partij breekt met het oude PVV-dogma dat cultuur een linkse hobby is, maar dat er wel eisen zijn aan cultuur wil die gesubsidieerd worden. So far, so good. Klassieke muziek voldoet volgens Brinkman echter niet aan die eisen. Wat volgt is een relaas waarin letterlijk elke zin feitelijk niet waar, beledigend, en/of veel te kort door de bocht is.

De eisen waar cultuurprojecten aan zouden moeten voldoen zijn dat het
1. voor een groot publiek toegankelijk en
2. geëngageerd moet zijn.
Het woord toegankelijk heeft in kunst twee verschillende betekenissen. De eerste, en de manier hoe ik het woord in eerste instantie opvatte, is dat het voor iedereen mogelijk moet zijn om de kunst tot zich te nemen. Daar zou wat voor te zeggen zijn. Wat later in het gesprek echter duidelijk wordt, is dat Brinkman bedoelt dat de kunst zelf toegankelijk moet zijn, in de betekenis dat het makkelijk te verteren en begrijpen moet zijn. Daarmee ga je aan het doel van subsidies voorbij. Subsidies zijn voor zaken die niet direct winstgevend zijn, maar wel belangrijk voor de maatschappij. Op die manier is ontoegankelijke muziek juist een goed doel. Cultuuruitingen waar een groot publiek op af komt haalt vaak genoeg inkomsten uit kaartverkoop en reclame. De onbegrepen innovator met een minipubliek heeft echter alle steun nodig die hij/zij kan krijgen.
Verder ben ik het met Brinkman oneens dat kunst geëngageerd moet zijn. Kunst is een weerspiegeling van de kunstenaar. Als de kunstenaar wat te zeggen heeft over de maatschappij waarin hij/zij leeft, heeft de kunst dat ook. Als de kunstenaar dat niet heeft, maar het eerder over bijvoorbeeld de menselijk psyche of de aard van schoonheid wil hebben maakt dat diens kunst niet minder waard of waardevol.

‘(…) Als je naar het Concertgebouworkest wilt, ben je zo honderdtachtig euro kwijt voor een kaartje. Dan zeg ik: als zo’n kaartje toch al zo duur is, dan kun je er net zo goed vijftig euro boven op gooien en de subsidiekraan dichtdraaien,’ aldus Brinkman. Dat is compleet onwaar. Je hoeft maar naar de site van het Concertgebouw te gaan om te zien dat een kaartje voor een orkestconcert er al vanaf negentien euro zijn en gemiddeld vanaf vijfentwintig euro. Daarnaast klopt dit argument natuurlijk niet. Het is hetzelfde als voorstellen om alle neushoorns af te schieten, zodat ze dan niet meer bedreigd zijn. Als je probleem laat escaleren tot er niets meer tegen te doen is, ben je inderdaad van het probleem af, maar een oplossing is het niet te noemen.

De volgende alinea uit het interview is uitzonderlijk beledigend. Brinkman zegt dat klassieke muziek door een componist geschreven is met een bedoeling, maar dat de meeste dirigenten en orkestleden ‘geen flauw benul hebben in welke tijd de componist heeft geleefd, welk gevoel hij met een compositie over wilde brengen en wat hij met het stuk wilde zeggen.’ Dat is lariekoek. Ten eerste gaat Brinkman er volledig aan voorbij dat er vandaag de dag ook nog muziek geschreven wordt en dat hedendaagse componisten vaak zeer vocaal zijn over achterliggende gedachten van een stuk. Dode componisten waren dat tijdens hun leven vaak ook. De interpretatie van een stuk is misschien wel het belangrijkste aspect van het uitvoeren van een klassiek stuk. Er wordt op een conservatoriumopleiding dan ook heel veel aandacht besteed aan interpretatie, en met welke conventies er in die tijd werd gespeeld is daar een belangrijk onderdeel van. Klassieke muzikanten zijn zeer goed op de hoogte van de wensen en ideeën van grote componisten. Om anders te suggereren is hun bekwaamheid in twijfel trekken en zeer beledigend.
Verder is het in klassieke muziek een veel en fel gevoerde discussie hoeveel je je moet aantrekken van de conventies van soms wel driehonderd jaar terug wanneer je voor een hedendaags publiek speelt. Het is natuurlijk interessant om te horen hoe muziek toentertijd klonk, maar de vraag is of kunst een geschiedenisles moet zijn. Verder is het de vraag of een componist het alleenrecht heeft om te bepalen hoe zijn stukken klinken, of dat de uitvoerend muzikant niet zelf ook ideeën kan hebben die het waard zijn om naar te luisteren. Dat zijn interessante onderwerpen, maar geen waar Hero Brinkman bekwaam en bevoegd voor is om daar uitsluitsel over te geven.

Aan het einde deelt Brinkman nog een stoot uit naar het publiek. Dat zou te onwetend zijn. Vraag een willekeurige luisteraar naar de achtergrond en betekenis van waar ze net naar hebben geluisterd, en ze weten het niet. Naast dat dit vaak niet waar is, rijst de vraag of dat überhaupt wel nodig is. Als je kan genieten van iets waar je de ballen verstand van hebt, is dat dan slecht? Ik weet relatief veel over westerse muziek, maar luister zo af en toe naar klassieke Noord-Indiase of Arabische muziek. Dat is zo’n andere wereld, muzikaal gezien, dat ik er vaak weinig van begrijp, maar ik vind het wel erg mooi. Dat wil nog niet betekenen dat ik minder recht heb om naar de muziek te luisteren.
Brinkman lijkt hier te suggereren dat wanneer de klassieke wereld beter haar best zou doen om haar publiek te onderwijzen over de historische achtergronden, ze wél in aanmerking komt voor subsidies. Cultuursubsidies als investering voor geschiedenisonderwijs. Veel gekker moet het niet worden.

Bouwdebat

Een maand geleden woonde ik een voorlichtingsavond over een relatief groot nieuwbouwproject in mijn stad, Den Helder, bij. Het is één van de vele vernieuwingen die de stad momenteel op allerlei manieren kwalitatief moeten verbeteren. Dat was nodig ook; de twintigste eeuw is bepaald niet vriendelijk met de stad omgesprongen en overal zijn de werktuigelijke sporen daarvan zichtbaar. Het doel van dit bewuste nieuwbouwproject is precies die ruwe realiteit tot iets draaglijks om te vormen, zoals tatoeages dat soms zo nobel bij brandwonden kunnen doen. Die pogingen boeien mij en ik volg de ontwikkelingen dan ook op de voet.

Met zo’n dertig tot veertig andere geïnteresseerden en omwonenden nam ik plaats voor het diascherm waarop de ontwikkelaar en architect het voorlopige ontwerp en bepaalde technische details zouden gaan tonen. Ik had er zin in, want de andere ontwikkelingen in de stad zijn tot dusver veelbelovend en ik was benieuwd wat voor hoopvols er aan die lijst toegevoegd zou worden. Een fraai plan, zo bleek. Kwalitatief hoogwaardig, passend in de omgeving, met een mooi en proportioneel hoogteaccent. Helaas werd mijn aanvankelijke enthousiasme in de kiem gesmoord. Dat had niets te maken met de plannen, de uitwerking ervan of de presentatie, maar zuiver en alleen met mijn mede-toehoorders.

Het was Winston Churchill die naar verluid ooit gezegd heeft dat ‘het beste argument tegen de democratie een discussie van vijf minuten met de gemiddelde kiesgerechtigde’ zou zijn, en het spijt me bijna te zeggen dat ik tijdens deze avond een lelijke glimp heb gezien van wat Churchill hiermee probeerde te zeggen. De presentatie was amper begonnen of een handvol aanwezigen zette de hakken stevig in het zand. Niet beschikkend over het geduld om het volledige plan in al zijn facetten aan te horen, gooiden zij er meteen een paar amper doordachte en misplaatste bezwaren tegenaan. Men trok verregaande conclusies aan de hand van voorlopige impressies. Dat er in het plan geen groen meer te bekennen zou zijn (een conclusie die na drie minuten en één zwart-wit situatieschets werd getrokken) en hoe 500 meter lopen naar de supermarkt voor de beoogde doelgroep ‘veel te ver’ zou zijn. Waar de beloofde zes bomen uit een ander nieuwbouwproject bleven en waarom het stoepje tijdens de bouw tijdelijk niet bruikbaar zal zijn. Een meneer durfde het zelfs aan zich pijnlijk te verslikken in een simpele rekensom over de bouwhoogte, en weigerde vervolgens de terechte correctie van zijn fout. Een ander gaf tendentieuze maar, zo bleek meteen, foutieve informatie om haar onvrede kracht bij te zetten. Publieke schaamte werd door hen schijnbaar niet gevoeld, terwijl slechte dossier- en feitenkennis werd gemengd met goedkope retorica.

Ondertussen dreven de toch al amper ter zake doende argumenten steeds verder af van het onderhavige plan. Eén aanwezige vertelde de ontwikkelaar dat nieuwbouw ‘bouwen voor leegstand is’, alsof die overweging bij de ontwikkelaar nog nooit was opgekomen en het project eigenlijk een soort uit de hand gelopen hobby zou zijn. Een andere mevrouw stelde zich bij de bouwoverlast schijnbaar voor dat ze tien jaar lang elke dag hordes bouwvakkers uit haar woonkamer zou moeten verjagen. Alsof er tot 2050 non-stop onder haar keukenraam geheid zou worden, terwijl ze in feite hooguit drie weken een hei-installatie op ruim 100 meter van haar huis zou kunnen verwachten. Ook klaagde ze over de algemene betrouwbaarheid van elektronica en haar eigen lichamelijke gezondheid.

Het was duidelijk: men kwam met vooroordelen en was vastbesloten met precies die vooroordelen weer te vertrekken.

Afgelopen week bleek dat er een petitie tegen het plan is gestart. 117 handtekeningen zijn gezet om te voorkomen dat het ‘zicht op de dijk’ ontnomen wordt. Ik weet niet of u wel eens een dijk heeft gezien, maar veel saaier dan een met gras begroeide zeedijk wordt het niet. Als dat een valide argument zal blijken te zijn om verdere ontwikkeling te blokkeren, dan was de voorlichtingsavond bij nader inzien een gedegen en waardig debat.

Haar en man-zijn

Ik ben geen typische mannenman. Ik houd niet van voetbal, ik weet niets van auto’s, drink even graag witte wijn als bier, en heb nog nooit een vechtpartij gewonnen. Het meest mannelijke aan mij, is dat ik een fikse baard heb.

Baardhaar is ruw, droog, dik en snel klittend haar en moet goed verzorgd worden. Sinds mijn baard enige lengte begint te krijgen, ziet mijn badkamer er dan ook opeens heel anders uit. Ik heb verzorgende shampoo, conditioner, baardwas, baardolie, een baardkam, een baardborstel, een snorrenschaar en meer van dat soort zaken. Aangezien mijn persoonlijkeverzorgingsinventaris hiervoor bestond uit;
1. Deodorant
2. Algemene douchegel
3. Pommade
is de hoeveelheid spullen op het plankje boven mijn gootsteen verveelvoudigd. De slecht bevoorrade badkamer was één van de weinige aspecten aan mij die echt mannelijk was. Ik was dan ook een beetje huiverig om te investeren in veel haarverzorgingsproducten, en zo mijn toch al gemankeerde gevoel van mannelijkheid helemaal weg te cijferen. Want ook, wat is het punt van een grote mannelijke baard hebben als die de hele dag naar perzik en viooltjes ruikt?

Wat ik mij toen echter nog niet realiseerde, was dat er naast de gebruikelijke haarverzorgingsproducten ook gespecialiseerde baardverzorgingsproducten bestaan. Deze shampoo’s, oliën, en wassen komen niet in roze knijpflessen, maar in metalen blikken. Ze ruiken niet naar bloemen, maar naar leer en bomen. Op de verpakkingen staan inktdrukken van ouderwetse mannen met grote snorren. Dat is fijn. Op die manier kan ik mezelf wel lekker in de watten leggen en mooi maken, zonder me te voelen als het bèta-mannetje dat ik eigenlijk ben.