Baardsecretaris

Nadat Ivo Opstelten en Fred Teeven anderhalve week geleden opstapten, werd de zoektocht naar twee opvolgers voor de voormalige minister en staatssecretaris gestart. Inmiddels zijn ze dan gevonden: Ard van der Steur zal als nieuwe minister van Veiligheid en Justitie ondersteund worden door de nieuwe staatssecretaris Klaas Dijkhoff. Van hen weet en vind ik verder niets, maar toch wil ik de benoeming van Dijkhoff voorzien van een gepast applausje. Met hem keert er na een lange afwezigheid namelijk weer een (bescheiden) baard terug in een Nederlands kabinet.

Hoewel de baard in onze samenleving en onder invloed van het hedendaagse modebeeld eerder regel dan uitzondering is, schittert deze in vak K al enige jaren door afwezigheid. Gezichtshaar is in het algemeen niet moeilijk te vinden in de lijst van opeenvolgende kabinetten: een snor komen we in allerlei vormen en formaten in bijna elke kabinetsperiode wel ergens tegen. Maar naar een baard is het aanmerkelijk grondiger zoeken. Mijn onderzoek naar baarddragende bewindslieden bracht mij naar Herman Heinsbroek als Dijkhoffs directe baardvoorganger. Hij was in 2002 (zeer kort) minister en droeg, net als ikzelf overigens, een wat halfslachtig baardje. Niettemin: gezichtshaar van oor tot oor. Maar 2002 is inmiddels wel al ruim 13 jaar geleden. Dat zijn 13 aaneengesloten jaren waarin baarddragers zich niet zichtbaar gerepresenteerd zagen in hun regering.

Toen ik nog iets verder naar regerend baardhaar groef, merkte ik dat het probleem groter was dan ik in eerste instantie had vermoed. Van 2002 moeten we namelijk helemaal terug naar 1982 voordat we weer een baard van betekenis tegenkomen. Met Jaap van der Does had baarddragend Nederland destijds, zij het wederom kort, een waardige vertegenwoordiger in de functie van staatssecretaris. Natuurlijk, staatssecretaris Jaap Scherpenhuizen droeg in 1986 weliswaar een sik waarin je je volledige bestek kon kwijtraken, maar een baard mag het toch zeker niet genoemd worden. En wat voor baas staatssecretaris Jan Schaefer van 1973 tot 1977 ook was, een goatee blijft een sik. Maar zelfs zulke flinke sikken kunnen niet verhullen dat er tussen 1981 en 1939 geen enkele baarddragende minister of staatssecretaris te vinden is. Een absurde realiteit. Pas met Jan Rudolph Slotemaker de Bruin vinden we eindelijk weer een wollig gezicht in de Nederlandse parlementaire geschiedenis. Maar dus wel pas in 1939. We kunnen dus constateren dat de baard met maar drie dragers over een periode van 76 jaar behoorlijk ondervertegenwoordigd is.

Ondanks de inspanningen van vrijwel uitsluitend Japen en Jannen in de Tweede Kamer, is een fikse dosis gezichtshaar de afgelopen decennia bijna van het politieke toneel verdwenen. Baarddragende premiers als Pieter Cort van der Linden, Nicolaas Pierson, Julius van Zuylen van Nijevelt en hipster avant-la-lettre Gijsbert van Tienhoven draaien zich waarschijnlijk hoofdschuddend en baardbedekkend om in het graf. Gelukkig gloort er met de aanstelling van Dijkhoff weer hoop aan de horizon: de baard is terug. ‘Klaas’ als vervolg op de reeks ‘Jan-Jaap-Herman’. Het is voor Dijkhoff te hopen dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de lengte van de baard en de lengte van de ambtsperiode. Anders kon het namelijk wel eens een erg korte rit worden.

 

Grappen en grommen

Dit stukje verschijnt wat later dan dat ik net doe alsof u van ons gewend bent. Ik had namelijk een gedeelte van een stukje geschreven over het voorval omtrent de ontslagen Nieuw-Zeelandse X-Factorjuryleden, en hoe onterecht het was dat zij wel ontslagen waren, maar de regisseur, redactie en editors die de vergruisde uitspraken bij de juryleden hadden uitgelokt en daarna in de uitzending hadden gemonteerd wel hun baan mochten houden. Tijdens het onderzoeken kwam ik er echter achter dat de uitspraken werden gedaan in een liveuitzending en dat de door mij aangesproken personen op dat moment ook geen grip op de zaak hadden (begrijp me niet verkeerd, het is alsnog hoogstwaarschijnlijk dat de juryleden flink zijn opgejut en op z’n minst in de rol van strenge/negatieve van het stel zijn gezet door de redactie.)

Toen ik dit besprak met mijn collega’s hier bij MMeM, bleek het een vaker voorkomend probleem te zijn dat je halverwege een stukje erachter komt dat je oorspronkelijke standpunt onjuist was en je een paar uur aan werk onceremonieel de digitale prullenbak in kunt keilen. Ik stelde dat het verschrikkelijk onbevredigend is als je gerechtigheidserectie door je eigen onoplettendheid teniet wordt gedaan.
“Precies. Blauwe ballen van je eigen tekortkomingen. Op zo’n moment kun je beter maar sadomasochist zijn,” zei Joop den Toonder.
“Maar ja, daar kan je niet zomaar voor kiezen. Het is geen homoseksualiteit,” antwoordde ik.
Ik hoop dat ik hier niet hoef te vertellen dat dat laatste een grap is. Homoseksualiteit is geen keuze.

Het X-Factorvoorval en mijn eigen grapje deden mij denken aan vorig jaar toen zanger Gordon bij het programma Holland’s Got Talent een weinig grappige en behoorlijk denigrerende opmerking over een Chinese deelnemer maakte. Gordon vroeg; “Welk nummer ga je zingen, nummer 39 met rijst?” Rond die tijd speelde ook een kwestie rond een jongen die bij een sollicitatie was afgewezen. Hij kreeg per ongeluk een mail toegestuurd die bedoeld was als interne mail, waarin de redenen om hem af te wijzen werden opgesomd. Nummer één; hij is “een donker gekleurde (neger).” Dat was natuurlijk een grap, maar werd in veel media niet als zodanig behandeld. De man die de mail verzond is zelfs vervolgd voor discriminatie. Dat vond ik eng, omdat ik zelf ook wel eens soortgelijke grappen maak (zie de vorige alinea).

Er werd nogal wat gepraat over racisme en in welke mate dat moet worden toegestaan in humor. Er zijn echter twee behoorlijk verschillen in de grapjes zoals die van mij en de mailschrijver, en die van Gordon. De eerste is de manier waarop ze grappig proberen te zijn. Als ik zeg dat homoseksualiteit een keuze is, weet iedereen die mij enigszins kent dat ik dat niet meen, maar de mensen die die mening wel hebben persifleer. Ik probeer de absurditeit van die mening over te brengen. Ik doe geen aanval op de homoseksuelen, maar op diens aanvallers. Ik ben van mening dat de mailstuurder een zelfde soort grap maakte. Gordon’s grap daarentegen ‘werkt’ op een andere manier. Hij maakt een opmerking conform een stereotype en hoopt op herkenning bij zijn publiek. Het is een woordgrap die speelt met het feit dat het woord ‘nummer’ meerdere betekenissen heeft, maar werkt alleen als het publiek erkent dat Aziaten bij afhaalchinezen werken en dat het OK is om bij iedere Aziaat die connectie te maken. Waar de mailstuurder sarcasme en ironie gebruikte om vooroordelen te ontkrachten, bevestigt Gordon ze alleen.

Het tweede grote verschil is het beoogde publiek. Het was nooit de bedoeling dat de jongen in de negermailkwestie die opmerking onder ogen kreeg. Het was jammer dat dat wel gebeurde, en het is begrijpelijk dat hij aanstoot nam. Als de mail echter binnen het bedrijf was gebleven zou de beoogde ontvanger misschien wat gegniffeld hebben en zou de sollicitant niets gemerkt hebben. Mijn grapje was binnen de MMeM-redactie vermakelijk, maar als een homo dat zou zien zonder mij of de context te kennen en geschoffeerd zou zijn, zou ik diegene niets kwalijk nemen. Dingen zijn privé met een reden. Dat is niet altijd om een geheim geheim te houden, maar ook om een onbeoogd publiek te beschermen. Gordon brulde zijn grap echter over nationale televisie en, nog veel erger, in het gezicht van een deel van de bespotte bevolkingsgroep. Dat is moedwillig kwetsen en mijns inziens veel kwalijker dan het achter de rug om maken van een grap.

De Stad Nederland

In Nederland hebben we geen natuur. Het beetje groen dat we hier hebben mag de naam natuur niet dragen, omdat het per definitie alles is wat niet door mensen gewijzigd is. Wij hebben overal met onze handen aangezeten en in genade besloten dat sommige moerassen mogen blijven bestaan. Deze vervullen eigenlijk vaak de functie van stadspark. Het is ironisch dat het pronkstuk uit de film De Nieuwe Wildernis, staatsmonument de Oostvaardeseplassen, het gevolg is van de drooglegging van de Flevopolder, een machtig menselijk ingrijpen om de natuur te temmen. Misschien wordt het tijd om te accepteren dat de mens het hier van de natuur gewonnen heeft. Nederland is een stad geworden en dat is helemaal niet erg.

Wie wil er wildernis in ons landje? De natuur hier de vrije loop laten, heuse wildernis, zou gevaarlijk veel water betekenen. Grote delen van ons land horen niet permanent te bestaan. Onze voorvaderen hebben een prachtige prestatie geleverd en goed bewerkbare stukken land gecreëerd. In de loop der eeuwen hebben we Nederland vormgegeven en comfortabel gemaakt. Dat is fijn en goed. We leven in een fantastisch land. We kunnen niet alles hebben. Voor natuur hoeven we overigens niet eens zo ver te reizen. We zijn toch allemaal Europeanen. De Europese natuur is onze natuur.

In De Nieuwe Wildernis wordt geheel in de stijl van de bekende natuurdocumentaires van de BBC een al te romantisch beeld van de Oostvaarderseplassen geschetst. De filmmakers hebben duidelijk moeite gedaan om elektriciteitspalen, treinspoor en dijk buiten beeld te houden en proberen ons een plaatje voor te schotelen waarin het gebied een woest gebeuren is, waar dieren ongestoord hun circle of life voltooien. Het ziet er prachtig uit en het zette me aan het denken. Wat deze dieren wat mij betreft beter laten zien is aanpassingsvermogen in een land dat door mensen vormgegeven is, ons Nederlandse stadsleven. Als ze zich niet aanpassen gaan ze dood. Er zijn heel veel dieren die het loodje leggen in de documentaire.

Het feit dat de Oostvaarderseplassen een belangrijke rol speelt in de trek van een grote groep vogels bewijst niet dat dit gebied wild is, maar laat juist zien dat dieren niet per definitie ongerepte wildernis nodig hebben om hun gang te gaan. Het laat zien dat een klein rustgebiedje temidden van onze herrie en drukte genoeg is. Veel dieren passen zich aan en sinds wij ze niet meer afknallen voelen ze zich waarschijnlijk steeds beter op hun gemak. Bij Station Amsterdam Sloterdijk lopen ‘s nachts honderden konijnen rond. Een paar maanden geleden liep ik van het station naar huis en zag ik een vos. Ik vond het fantastisch om zo’n beest te zien rondwandelen over een asfaltweg. Na de stadsduif en de reiger nu de vos. Misschien hebben we straks stadswolven en stadsberen. De vos laat zien dat wilde dieren prima stadsdieren kunnen zijn. Vannacht nog zag ik een uil op een hek zitten bij hetzelfde station.

Misschien kunnen we ons beter richten op de ontwikkeling van een megastad, opdat wij hét stedelijke gebied van Europa zullen worden. Daar is ons onnatuurlijke land uitermate geschikt voor. We maken niks kapot door dit gebied verder te ontwikkelen. De kwetsbare natuur die we hebben, hebben we toch kortgeleden zelf gemaakt. Laten we deze rol van megastad omarmen en mensen wegtrekken uit de gebieden waar wel oeroude, kostbare en kwetsbare natuur is.

Hero’s geschiedenislessen.

Ik schrijf dit stukje met bedenkingen. Ik ga het namelijk hebben over de uitspraken van Hero Brinkman over klassieke muziek. Ik ben bang voor het Swiebertje-effect. Als professioneel muzikant komen mij vaak uitspraken of artikelen over muziek onder ogen, geschreven voor en door leken, waar fouten of onwaarheden in staan waar ik mij aan stoor. Ik ben erg gepassioneerd over muziek en deze ergernissen zijn een dankbare bron van inspiratie voor stukjes. Toen ik mijn zorgen uitspraak dat ik vast kom te zitten in het boze-stukjes-over-muziek-hoekje, zeiden mijn collega’s bij MMeM echter dat ik mij geen zorgen hoefde te maken, dat ik allang vast zat in dat hoekje. Dat heb ik maar geaccepteerd.

Afgelopen donderdag verscheen er een stukje op de website van HP/De Tijd met een interview met Hero Brinkman over cultuursubsidies, met name die naar klassieke muziek gaan. Brinkman zegt dat zijn partij breekt met het oude PVV-dogma dat cultuur een linkse hobby is, maar dat er wel eisen zijn aan cultuur wil die gesubsidieerd worden. So far, so good. Klassieke muziek voldoet volgens Brinkman echter niet aan die eisen. Wat volgt is een relaas waarin letterlijk elke zin feitelijk niet waar, beledigend, en/of veel te kort door de bocht is.

De eisen waar cultuurprojecten aan zouden moeten voldoen zijn dat het
1. voor een groot publiek toegankelijk en
2. geëngageerd moet zijn.
Het woord toegankelijk heeft in kunst twee verschillende betekenissen. De eerste, en de manier hoe ik het woord in eerste instantie opvatte, is dat het voor iedereen mogelijk moet zijn om de kunst tot zich te nemen. Daar zou wat voor te zeggen zijn. Wat later in het gesprek echter duidelijk wordt, is dat Brinkman bedoelt dat de kunst zelf toegankelijk moet zijn, in de betekenis dat het makkelijk te verteren en begrijpen moet zijn. Daarmee ga je aan het doel van subsidies voorbij. Subsidies zijn voor zaken die niet direct winstgevend zijn, maar wel belangrijk voor de maatschappij. Op die manier is ontoegankelijke muziek juist een goed doel. Cultuuruitingen waar een groot publiek op af komt haalt vaak genoeg inkomsten uit kaartverkoop en reclame. De onbegrepen innovator met een minipubliek heeft echter alle steun nodig die hij/zij kan krijgen.
Verder ben ik het met Brinkman oneens dat kunst geëngageerd moet zijn. Kunst is een weerspiegeling van de kunstenaar. Als de kunstenaar wat te zeggen heeft over de maatschappij waarin hij/zij leeft, heeft de kunst dat ook. Als de kunstenaar dat niet heeft, maar het eerder over bijvoorbeeld de menselijk psyche of de aard van schoonheid wil hebben maakt dat diens kunst niet minder waard of waardevol.

‘(…) Als je naar het Concertgebouworkest wilt, ben je zo honderdtachtig euro kwijt voor een kaartje. Dan zeg ik: als zo’n kaartje toch al zo duur is, dan kun je er net zo goed vijftig euro boven op gooien en de subsidiekraan dichtdraaien,’ aldus Brinkman. Dat is compleet onwaar. Je hoeft maar naar de site van het Concertgebouw te gaan om te zien dat een kaartje voor een orkestconcert er al vanaf negentien euro zijn en gemiddeld vanaf vijfentwintig euro. Daarnaast klopt dit argument natuurlijk niet. Het is hetzelfde als voorstellen om alle neushoorns af te schieten, zodat ze dan niet meer bedreigd zijn. Als je probleem laat escaleren tot er niets meer tegen te doen is, ben je inderdaad van het probleem af, maar een oplossing is het niet te noemen.

De volgende alinea uit het interview is uitzonderlijk beledigend. Brinkman zegt dat klassieke muziek door een componist geschreven is met een bedoeling, maar dat de meeste dirigenten en orkestleden ‘geen flauw benul hebben in welke tijd de componist heeft geleefd, welk gevoel hij met een compositie over wilde brengen en wat hij met het stuk wilde zeggen.’ Dat is lariekoek. Ten eerste gaat Brinkman er volledig aan voorbij dat er vandaag de dag ook nog muziek geschreven wordt en dat hedendaagse componisten vaak zeer vocaal zijn over achterliggende gedachten van een stuk. Dode componisten waren dat tijdens hun leven vaak ook. De interpretatie van een stuk is misschien wel het belangrijkste aspect van het uitvoeren van een klassiek stuk. Er wordt op een conservatoriumopleiding dan ook heel veel aandacht besteed aan interpretatie, en met welke conventies er in die tijd werd gespeeld is daar een belangrijk onderdeel van. Klassieke muzikanten zijn zeer goed op de hoogte van de wensen en ideeën van grote componisten. Om anders te suggereren is hun bekwaamheid in twijfel trekken en zeer beledigend.
Verder is het in klassieke muziek een veel en fel gevoerde discussie hoeveel je je moet aantrekken van de conventies van soms wel driehonderd jaar terug wanneer je voor een hedendaags publiek speelt. Het is natuurlijk interessant om te horen hoe muziek toentertijd klonk, maar de vraag is of kunst een geschiedenisles moet zijn. Verder is het de vraag of een componist het alleenrecht heeft om te bepalen hoe zijn stukken klinken, of dat de uitvoerend muzikant niet zelf ook ideeën kan hebben die het waard zijn om naar te luisteren. Dat zijn interessante onderwerpen, maar geen waar Hero Brinkman bekwaam en bevoegd voor is om daar uitsluitsel over te geven.

Aan het einde deelt Brinkman nog een stoot uit naar het publiek. Dat zou te onwetend zijn. Vraag een willekeurige luisteraar naar de achtergrond en betekenis van waar ze net naar hebben geluisterd, en ze weten het niet. Naast dat dit vaak niet waar is, rijst de vraag of dat überhaupt wel nodig is. Als je kan genieten van iets waar je de ballen verstand van hebt, is dat dan slecht? Ik weet relatief veel over westerse muziek, maar luister zo af en toe naar klassieke Noord-Indiase of Arabische muziek. Dat is zo’n andere wereld, muzikaal gezien, dat ik er vaak weinig van begrijp, maar ik vind het wel erg mooi. Dat wil nog niet betekenen dat ik minder recht heb om naar de muziek te luisteren.
Brinkman lijkt hier te suggereren dat wanneer de klassieke wereld beter haar best zou doen om haar publiek te onderwijzen over de historische achtergronden, ze wél in aanmerking komt voor subsidies. Cultuursubsidies als investering voor geschiedenisonderwijs. Veel gekker moet het niet worden.

Bouwdebat

Een maand geleden woonde ik een voorlichtingsavond over een relatief groot nieuwbouwproject in mijn stad, Den Helder, bij. Het is één van de vele vernieuwingen die de stad momenteel op allerlei manieren kwalitatief moeten verbeteren. Dat was nodig ook; de twintigste eeuw is bepaald niet vriendelijk met de stad omgesprongen en overal zijn de werktuigelijke sporen daarvan zichtbaar. Het doel van dit bewuste nieuwbouwproject is precies die ruwe realiteit tot iets draaglijks om te vormen, zoals tatoeages dat soms zo nobel bij brandwonden kunnen doen. Die pogingen boeien mij en ik volg de ontwikkelingen dan ook op de voet.

Met zo’n dertig tot veertig andere geïnteresseerden en omwonenden nam ik plaats voor het diascherm waarop de ontwikkelaar en architect het voorlopige ontwerp en bepaalde technische details zouden gaan tonen. Ik had er zin in, want de andere ontwikkelingen in de stad zijn tot dusver veelbelovend en ik was benieuwd wat voor hoopvols er aan die lijst toegevoegd zou worden. Een fraai plan, zo bleek. Kwalitatief hoogwaardig, passend in de omgeving, met een mooi en proportioneel hoogteaccent. Helaas werd mijn aanvankelijke enthousiasme in de kiem gesmoord. Dat had niets te maken met de plannen, de uitwerking ervan of de presentatie, maar zuiver en alleen met mijn mede-toehoorders.

Het was Winston Churchill die naar verluid ooit gezegd heeft dat ‘het beste argument tegen de democratie een discussie van vijf minuten met de gemiddelde kiesgerechtigde’ zou zijn, en het spijt me bijna te zeggen dat ik tijdens deze avond een lelijke glimp heb gezien van wat Churchill hiermee probeerde te zeggen. De presentatie was amper begonnen of een handvol aanwezigen zette de hakken stevig in het zand. Niet beschikkend over het geduld om het volledige plan in al zijn facetten aan te horen, gooiden zij er meteen een paar amper doordachte en misplaatste bezwaren tegenaan. Men trok verregaande conclusies aan de hand van voorlopige impressies. Dat er in het plan geen groen meer te bekennen zou zijn (een conclusie die na drie minuten en één zwart-wit situatieschets werd getrokken) en hoe 500 meter lopen naar de supermarkt voor de beoogde doelgroep ‘veel te ver’ zou zijn. Waar de beloofde zes bomen uit een ander nieuwbouwproject bleven en waarom het stoepje tijdens de bouw tijdelijk niet bruikbaar zal zijn. Een meneer durfde het zelfs aan zich pijnlijk te verslikken in een simpele rekensom over de bouwhoogte, en weigerde vervolgens de terechte correctie van zijn fout. Een ander gaf tendentieuze maar, zo bleek meteen, foutieve informatie om haar onvrede kracht bij te zetten. Publieke schaamte werd door hen schijnbaar niet gevoeld, terwijl slechte dossier- en feitenkennis werd gemengd met goedkope retorica.

Ondertussen dreven de toch al amper ter zake doende argumenten steeds verder af van het onderhavige plan. Eén aanwezige vertelde de ontwikkelaar dat nieuwbouw ‘bouwen voor leegstand is’, alsof die overweging bij de ontwikkelaar nog nooit was opgekomen en het project eigenlijk een soort uit de hand gelopen hobby zou zijn. Een andere mevrouw stelde zich bij de bouwoverlast schijnbaar voor dat ze tien jaar lang elke dag hordes bouwvakkers uit haar woonkamer zou moeten verjagen. Alsof er tot 2050 non-stop onder haar keukenraam geheid zou worden, terwijl ze in feite hooguit drie weken een hei-installatie op ruim 100 meter van haar huis zou kunnen verwachten. Ook klaagde ze over de algemene betrouwbaarheid van elektronica en haar eigen lichamelijke gezondheid.

Het was duidelijk: men kwam met vooroordelen en was vastbesloten met precies die vooroordelen weer te vertrekken.

Afgelopen week bleek dat er een petitie tegen het plan is gestart. 117 handtekeningen zijn gezet om te voorkomen dat het ‘zicht op de dijk’ ontnomen wordt. Ik weet niet of u wel eens een dijk heeft gezien, maar veel saaier dan een met gras begroeide zeedijk wordt het niet. Als dat een valide argument zal blijken te zijn om verdere ontwikkeling te blokkeren, dan was de voorlichtingsavond bij nader inzien een gedegen en waardig debat.

Haar en man-zijn

Ik ben geen typische mannenman. Ik houd niet van voetbal, ik weet niets van auto’s, drink even graag witte wijn als bier, en heb nog nooit een vechtpartij gewonnen. Het meest mannelijke aan mij, is dat ik een fikse baard heb.

Baardhaar is ruw, droog, dik en snel klittend haar en moet goed verzorgd worden. Sinds mijn baard enige lengte begint te krijgen, ziet mijn badkamer er dan ook opeens heel anders uit. Ik heb verzorgende shampoo, conditioner, baardwas, baardolie, een baardkam, een baardborstel, een snorrenschaar en meer van dat soort zaken. Aangezien mijn persoonlijkeverzorgingsinventaris hiervoor bestond uit;
1. Deodorant
2. Algemene douchegel
3. Pommade
is de hoeveelheid spullen op het plankje boven mijn gootsteen verveelvoudigd. De slecht bevoorrade badkamer was één van de weinige aspecten aan mij die echt mannelijk was. Ik was dan ook een beetje huiverig om te investeren in veel haarverzorgingsproducten, en zo mijn toch al gemankeerde gevoel van mannelijkheid helemaal weg te cijferen. Want ook, wat is het punt van een grote mannelijke baard hebben als die de hele dag naar perzik en viooltjes ruikt?

Wat ik mij toen echter nog niet realiseerde, was dat er naast de gebruikelijke haarverzorgingsproducten ook gespecialiseerde baardverzorgingsproducten bestaan. Deze shampoo’s, oliën, en wassen komen niet in roze knijpflessen, maar in metalen blikken. Ze ruiken niet naar bloemen, maar naar leer en bomen. Op de verpakkingen staan inktdrukken van ouderwetse mannen met grote snorren. Dat is fijn. Op die manier kan ik mezelf wel lekker in de watten leggen en mooi maken, zonder me te voelen als het bèta-mannetje dat ik eigenlijk ben.

Illusie

Ik was zeer verontwaardigd toen ik gestrand op station Castricum besloot een eindje de duinen in te lopen. Er moest entree betaald worden om het duingebied te mogen betreden. Ik weigerde te betalen voor natuur, maar had niet de moed om al rebellerend zonder kaartje naar binnen te wandelen. Boswachters lagen waarschijnlijk in het struikgewas, klaar om mij te betrappen. Deze gedachte alleen al verpestte de ervaringen die ik zoek als ik de natuur inga; vrijheid en eenzaamheid. Beide zijn schaars. Ik weet natuurlijk ook wel dat Nederland vrij land is. Het vrijheidsgevoel waar ik in dit geval naar op zoek was, echter, is vrijheid van de eindeloze regeltjes en wetten die wij onszelf opgelegd hebben om het mogelijk te maken om met miljoenen mensen op een kluitje te wonen. Door te betalen bij de entree van een natuurgebied wordt pijnlijk duidelijk dat de Nederlandse natuur ook onder deze eindeloze regeltjes valt en in dezelfde categorie valt als pretparken en dierentuinen. Bovendien impliceert een entreeprijs dat er een omheining is en dat het gebied duidelijk afgebakend is. Dit zijn allemaal zaken waar ik niet aan wil denken als ik door de natuur wandel. Een ticket in mijn zak maakt het onmogelijk om te zien wat ik graag zou zien.

Toch is het duidelijk dat natuur in onze samenleving veel geld kost. Weidse gebieden zonder enige bebouwing zijn moeilijk in stand te houden in een dergelijk dichtbevolkt gebied en onderhoud kost ook geld. Er banjeren honderdduizenden natuurliefhebbers door onze natuurgebieden, die bovendien grotendeels kunstmatig in stand worden gehouden, omdat ecosystemen behoorlijk in de war zijn. Ik las laatst een artikeltje waarin een goed argument voor betalen voor natuur werd aangedragen. Als de natuur winst oplevert, zal zij niet meer als kostenpost en als last gezien worden en is zij veiliger. Als overtuigend voorbeeld gaf de schrijver de berenbossen in Roemenië, die alleen bestaan omdat jagers bereid zijn enorme bedragen neer te tellen voor het schieten van een beer. Deze beren en bossen leveren veel geld op en kunnen daarom blijven bestaan in een straatarm land als Roemenië.

Toch blijf ik bij mijn standpunt dat een entreeprijs de ervaring verpest. Misschien is het beter een natuurbelasting te heffen, jagers meer vrijheden te laten kopen, of nog beter; toeristen een groenheffing te laten betalen. Ik weet het eigenlijk ook niet zo goed. Het is een moeilijk dilemma. Wat ik wel weet is dat ik mezelf graag voor de gek houd. Als ik in de natuur ben, wil ik mezelf wijs kunnen maken dat ik alleen ben, dat ik alles mag en dat er geen hekken zijn. Als ik over de Noordzee uitkijk vergeet ik even dat er net achter de horizon overal booreilanden staan.

Openbare observaties

De laatste weken zit ik met regelmaat in de plaatselijke bibliotheek. Dat is pure noodzaak: ik heb een masterscriptie te schrijven en kan de talloze afleidingen in mijn eigen huis maar moeilijk weerstaan. De openbare bieb is wat dat betreft ideaal. De kans dat je daar in je joggingbroek van ellende maar weer eens koffie gaat zetten of ineens bedenkt dat alle handdoeken opnieuw opgevouwen moeten worden, is verwaarloosbaar. Het mooie van de bibliotheek is niet alleen dat je er waarschijnlijk geconcentreerd aan je werk zult gaan, je kunt er bovendien ook nog van alles leren over de mensheid om je heen. En dat zonder ook maar een boek open te slaan. Hier is wat ik reeds leerde:

  • Als je lang genoeg in de buurt van de Bouquet-romans blijft hangen, zul je zien dat er vanzelf eens een ouder dametje door die reeks gaat staan zoeken en een paar boeken mee naar huis neemt. Dat stelde mij gerust: blijkbaar hebben ook oudere mensen nog gewoon zin in gore passie en consequentieloze seks, ook al vliegen de vonken en lichaamssappen dan alleen nog van het papier. Dat is alvast één zorg over het ouder worden minder. Ik stel me zo voor dat oudere stellen dat aan elkaar voorlezen voor het slapen gaan, waarna ze elkaar knuffelen en met een warme gloed gaan slapen. En ja, ik ben mij bewust van de bizarre paden die mijn voorstellingsvermogen inslaat.
  • Niezen in de bieb klinkt inderdaad een stuk luider dan in andere omgevingen. Mocht u dit lezen, mevrouw in het roze: gat-ver-damme! Hou op z’n minst die vette klauw voor dat fucking schransgat! Dank u. En dat geldt ook voor u, meneer die uw toehoorders dagelijks een paar keer per uur verblijdt met het diepe, slijmraspende geluid van uw gekuch. Ik zou er trouwens eens mee naar de dokter gaan.
  • De bibliotheek is schijnbaar tevens een hangplaats voor minder fortuinlijke mensen van middelbare leeftijd. Ik wist nooit dat je in de bieb halve liters bier mocht opentrekken en op je winterslippers mocht rondwandelen, maar na de afgelopen weken weet ik wel beter. Je mag er zelfs in een soort spontane praatgroep slap ouwehoeren over hoe het dan wel een kutjaar was, maar dat je wel onwijs hebt gelachen (‘hè, weet je nog, pik?’), of met wat voor drogredeneringen je je geloof in God staaft. Oja, en als enige hardop lachen om je eigen grappen is geen enkel probleem.
  • Opvallend veel mensen voeren telefoongesprekken in de bibliotheek. Vast omdat het daar ‘zo lekker rustig is’, maar dat is helaas een illusie, want:
  • Hoewel jijzelf van huis uit hebt meegekregen dat je in de bieb stil bent of het volume in elk geval zoveel mogelijk dempt, is dat duidelijk niet een les die iedereen heeft geleerd. In de bibliotheek merk je gauw genoeg dat het voor veel mensen echt teveel is gevraagd om even geen of weinig geluid te maken. Een handjevol mensen, zo viel mij op, geeft tevens hardop commentaar op artikelen in tijdschriften en kranten. Het vermoeden rijst dat mensen tegenwoordig blijkbaar naar de bieb gaan om eens lekker te praten (zelfs zonder gesprekspartner), net zoals velen tegenwoordig naar de bioscoop gaan om allerlei maar uitsluitend krakend voedsel te eten. Wie de logica hier begrijpt, die verzoek ik het mij uit te leggen.
  • Kinderen leren lezen is verstandig. Ik begrijp dus prima waarom ze meegenomen worden naar de bibliotheek. Het is mij alleen iets minder duidelijk waarom ze daar ook zouden mogen rennen.
  • De bieb heeft stamgasten. Dat was nieuw voor mij, maar nu ik er ook één ben, begrijp ik het eigenlijk wel. In die bibliotheek kun je ongegeneerd jezelf zijn; je hoeft nergens rekening mee te houden. Ik denk dat ik morgen m’n koffie en handdoeken maar meeneem.

 

2400 x onnodig Engels

Ik was wat random aan het surfen en vond per toeval een interessante woordenlijst; 2400 x onnodig Engels. Deze lijst verschaft de lezer een flink aantal veelgebruikte Engelse woorden met het Nederlandse alternatief daarnaast. De radicale groepering achter dit project, Stichting Nederlands, is ervan overtuigd dat verengelsing onze taal devalueert. Ze waarschuwt voor een taalrevolutie, die zich nu al stilletjes voltrekt. “Als voertaal”, zo schrijven ze bovendien, “wordt het Nederlands steeds vaker vervangen door het Engels, zowel op universiteiten, bij bedrijven en elders in de samenleving. Hierdoor kun je op steeds minder plekken met het Nederlands uit de voeten, en dat is verkeerd”. Vanuit een gut feeling, als liefhebber van taal, kan ik mij vinden in dit standpunt. Echter, puur rationeel bekeken vraag ik me af of verengelsing inderdaad automatisch devaluatie betekent en of de vervanging van Nederlands als voertaal door Engels op veel terreinen wel echt zo’n kwalijke ontwikkeling is.

Op het eerste gezicht lijkt het wat laat om het Nederlands te verdedigen tegen invloeden van buitenaf. Het Nederlands is al verpest. Het is tekenend dat het Nederlandse alternatief dat de woordenlijst voor het woord casual biedt quasi-nonchalant is. In dit woord zijn namelijk de twee primaire oer-verziekers van het Nederlands vertegenwoordigd: het Latijn en het Frans. Zowel quasi als nonchalant zijn rechtstreeks overgenomen uit deze twee voormalige wereldtalen. Representeert dit ‘Nederlandse’ alternatief in de redenering van Stichting Nederlands dan geen eeuwenoude devaluatie? Wie zich verder nog verdiept in de etymologie rondom nonchalant ontdekt vervolgens dat het Franse woord zijn oorsprong ook weer vindt in het Latijn. Over Latijn gesproken: de waarschuwingen van Stichting Nederlands zijn wat mij betreft vergelijkbaar met de ophef rondom de vernielingen die Feyenoorders aanrichtten in Rome. Rome is in vijfde eeuw al eens vernield door vandalen, het grootste gedeelte van het stadscentrum is al eeuwen een puinzooi, overal ruïnes. Nu, 1500 jaar te laat, wordt er ineens moeilijk gedaan.

Ik geloof niet dat het slecht is om beïnvloed te worden door een belangrijke wereldtaal. Ik zou zelfs zo ver willen gaan te pleiten voor de geleidelijke vervanging van het Nederlands als communicatietaal, door het Engels. Waarom is het verkeerd als een universiteit of een bedrijf voor het Engels kiest als voertaal? Voor universiteiten en veel bedrijven is het belangrijk de ogen op de wereld te richten. Los van de vraag of het verkeerd is of niet, communiceert onze wereld vooralsnog voornamelijk in het Engels. Het is dus logisch en verstandig dat universiteiten en bedrijven de overstap maken.

Oud-hoogleraar Nederlands Hans van den Bergh bepleitte in 2004 al eens voor de vervanging van het Nederlands. In zijn artikel Ape, Nut, Mies komt hij met zeer overtuigende argumenten op de proppen. Hij stelt allereerst dat het voor het functioneren van Europa als eenheid ontzettend onpraktisch is om alle kleine talen in stand te houden en als gelijkwaardig te beschouwen. Daarbij maakt hij de vergelijking met de Verenigde Staten, die ervoor gekozen hebben het Engels aan te nemen als voertaal. Verder voert van den Bergh aan dat het geweldig zou zijn voor Nederlandse schrijvers om het Engels te gebruiken. Wanneer zij dit doen zullen zij namelijk ineens toegang hebben tot een veel grotere markt.

In onze gemondialiseerde wereld zou het bekrompen zijn om al te krampachtig vast te houden aan het Nederlands. Dit betekent echter niet dat het Nederlands waardeloos is, en zal verdwijnen. Nederlands is een prachtige taal. Liefhebbers zullen het Nederlands nog altijd gebruiken voor hun proza en poëzie. De misbruikers, die door Stichting Nederlands worden vermaand, kunnen zonder gewetenswroeging overstappen op het Engels. Zij gebruiken taal toch slechts voor communicatie. Zij die van taal genieten om haar schoonheid vergeten het Nederlands niet. Misschien is de overstap op het Engels als nieuwe voertaal de beste bescherming tegen de verengelsing van onze taal. Vanaf de overstap op het Engels zullen de vandalen zich volledig richten op hun nieuwe taal en het Engels vernederlandsen, terwijl het Nederlands slechts een aangelegenheid van verstokte liefhebbers zal zijn.

Journaluistiek

Hoewel het gros van het nieuws dat dagelijks tot ons komt het gevolg is van matige journalistiek, stoorde ik mij in de voorbije dagen uitdrukkelijk aan twee voorbeelden van hoe journalistiek in elk geval niet moet. Ik heb niet de pretentie journalist te zijn of te weten wat lezers willen (het overtuigende bewijs daarvoor is dat ik voor Met Man en Muys schrijf), maar dat neemt nog niet weg dat zelfs ik soms in staat ben journalistieke gemakzucht te herkennen. En dat zegt iets.

In de lokale krant van de plaats waar ik woon, trof ik een stuk dat was geschreven naar aanleiding van de brandbrief die Wakker Dier aan staatssecretaris Dijksma had gestuurd. Daarin pleit de stichting tegen dierenleed voor wetgeving die het onverdoofd slachten van vissen moet tegengaan. Het was voor de lokale journalist reden genoeg om naar de plaatselijke haven te gaan en daar te vragen wat de vissers van dat voorstel vinden. Hun antwoord was voorspelbaar: “Ik denk niet dat vissen gevoel hebben. Ik heb nog nooit een schol van pijn horen schreeuwen als hij gestript wordt. Het is een onzinnig voorstel en ik denk dat het niks wordt.” Juist. Omdat een vis geen gemakkelijk herkenbare pijnsignalen afgeeft (daarbij bepaald niet geholpen door het feit dat een vis, bijvoorbeeld, geen stembanden heeft), rechtvaardigt dat de conclusie dat deze dieren geen gevoel hebben. En derhalve is onverdoofd slachten geen enkel moreel probleem.

Los van dat soort glibberige redeneringen: waar was de journalist nu eigenlijk op uit? Wat voor nieuwswaardige reactie had hij verwacht van de vissers? Het is namelijk in het belang van de visser dat we vissen toch vooral zien als lekkere en van de moraliteit los gezongen hapjes, in plaats van als de ontwikkelde dieren die ze zijn. De journalist had niet naar de haven gehoeven om te bedenken dat vissers het oneens zouden zijn met maatregelen die hen geld en reputatie kosten. Het enige, logisch voorspelbare antwoord dat de visserij had kunnen geven, is dat er niets mis is met hun praktijken; toegeven is jezelf onherroepelijk in de vingers snijden. Dus, wanneer verder ook een door feiten gestaafde discussie over het gevoelsleven van vissen uitblijft, wat is dan nog de nieuwswaarde van het stuk?

Een vergelijkbaar voorbeeld van ondermaatse journalistiek trof ik op een website voor autoliefhebbers. Want, ja: zo één ben ik er. In het filmpje dat ik op de pagina bekeek, werd een testrijder over een nieuw model ondervraagd. Eén van de vragen van de journalist was of de auto nog steeds evenveel rijplezier bood als het vorige model. De vraag werd gesteld met een glimlach op het gezicht; de journalist begreep zelf schijnbaar ook dat het een onzinnige vraag is om te stellen aan een testrijder, die nota bene meewerkte aan de ontwikkeling van de auto en bovendien betaald wordt door het bedrijf dat die auto wil verkopen. Dus natuurlijk was het antwoord ‘jazeker!’. Even voorspelbaar was de respons op de vraag of de auto nu sportiever of juist comfortabeler is geworden: allebei, uiteraard! Daarmee kregen we precies te horen wat we gegeven de situatie allang wisten. Geen onvertogen woord en louter positieve geluiden van iemand die een belang te beschermen heeft. Maar, nogmaals, wat is de nieuwswaarde hiervan?

Er is niks mis met vragen naar de bekende weg. Het kan geen kwaad zo nu en dan bevestigd te zien wat we al wisten. Maar beter is het om juist verrast te worden, om ongelijk te krijgen en het tegendeel te moeten verkennen. Zo informeren we ons en worden we wijzer. En dat, zo lijkt mij, is een uitgelezen taak voor de journalistiek.