Haar en man-zijn

Ik ben geen typische mannenman. Ik houd niet van voetbal, ik weet niets van auto’s, drink even graag witte wijn als bier, en heb nog nooit een vechtpartij gewonnen. Het meest mannelijke aan mij, is dat ik een fikse baard heb.

Baardhaar is ruw, droog, dik en snel klittend haar en moet goed verzorgd worden. Sinds mijn baard enige lengte begint te krijgen, ziet mijn badkamer er dan ook opeens heel anders uit. Ik heb verzorgende shampoo, conditioner, baardwas, baardolie, een baardkam, een baardborstel, een snorrenschaar en meer van dat soort zaken. Aangezien mijn persoonlijkeverzorgingsinventaris hiervoor bestond uit;
1. Deodorant
2. Algemene douchegel
3. Pommade
is de hoeveelheid spullen op het plankje boven mijn gootsteen verveelvoudigd. De slecht bevoorrade badkamer was één van de weinige aspecten aan mij die echt mannelijk was. Ik was dan ook een beetje huiverig om te investeren in veel haarverzorgingsproducten, en zo mijn toch al gemankeerde gevoel van mannelijkheid helemaal weg te cijferen. Want ook, wat is het punt van een grote mannelijke baard hebben als die de hele dag naar perzik en viooltjes ruikt?

Wat ik mij toen echter nog niet realiseerde, was dat er naast de gebruikelijke haarverzorgingsproducten ook gespecialiseerde baardverzorgingsproducten bestaan. Deze shampoo’s, oliën, en wassen komen niet in roze knijpflessen, maar in metalen blikken. Ze ruiken niet naar bloemen, maar naar leer en bomen. Op de verpakkingen staan inktdrukken van ouderwetse mannen met grote snorren. Dat is fijn. Op die manier kan ik mezelf wel lekker in de watten leggen en mooi maken, zonder me te voelen als het bèta-mannetje dat ik eigenlijk ben.

Illusie

Ik was zeer verontwaardigd toen ik gestrand op station Castricum besloot een eindje de duinen in te lopen. Er moest entree betaald worden om het duingebied te mogen betreden. Ik weigerde te betalen voor natuur, maar had niet de moed om al rebellerend zonder kaartje naar binnen te wandelen. Boswachters lagen waarschijnlijk in het struikgewas, klaar om mij te betrappen. Deze gedachte alleen al verpestte de ervaringen die ik zoek als ik de natuur inga; vrijheid en eenzaamheid. Beide zijn schaars. Ik weet natuurlijk ook wel dat Nederland vrij land is. Het vrijheidsgevoel waar ik in dit geval naar op zoek was, echter, is vrijheid van de eindeloze regeltjes en wetten die wij onszelf opgelegd hebben om het mogelijk te maken om met miljoenen mensen op een kluitje te wonen. Door te betalen bij de entree van een natuurgebied wordt pijnlijk duidelijk dat de Nederlandse natuur ook onder deze eindeloze regeltjes valt en in dezelfde categorie valt als pretparken en dierentuinen. Bovendien impliceert een entreeprijs dat er een omheining is en dat het gebied duidelijk afgebakend is. Dit zijn allemaal zaken waar ik niet aan wil denken als ik door de natuur wandel. Een ticket in mijn zak maakt het onmogelijk om te zien wat ik graag zou zien.

Toch is het duidelijk dat natuur in onze samenleving veel geld kost. Weidse gebieden zonder enige bebouwing zijn moeilijk in stand te houden in een dergelijk dichtbevolkt gebied en onderhoud kost ook geld. Er banjeren honderdduizenden natuurliefhebbers door onze natuurgebieden, die bovendien grotendeels kunstmatig in stand worden gehouden, omdat ecosystemen behoorlijk in de war zijn. Ik las laatst een artikeltje waarin een goed argument voor betalen voor natuur werd aangedragen. Als de natuur winst oplevert, zal zij niet meer als kostenpost en als last gezien worden en is zij veiliger. Als overtuigend voorbeeld gaf de schrijver de berenbossen in Roemenië, die alleen bestaan omdat jagers bereid zijn enorme bedragen neer te tellen voor het schieten van een beer. Deze beren en bossen leveren veel geld op en kunnen daarom blijven bestaan in een straatarm land als Roemenië.

Toch blijf ik bij mijn standpunt dat een entreeprijs de ervaring verpest. Misschien is het beter een natuurbelasting te heffen, jagers meer vrijheden te laten kopen, of nog beter; toeristen een groenheffing te laten betalen. Ik weet het eigenlijk ook niet zo goed. Het is een moeilijk dilemma. Wat ik wel weet is dat ik mezelf graag voor de gek houd. Als ik in de natuur ben, wil ik mezelf wijs kunnen maken dat ik alleen ben, dat ik alles mag en dat er geen hekken zijn. Als ik over de Noordzee uitkijk vergeet ik even dat er net achter de horizon overal booreilanden staan.

Openbare observaties

De laatste weken zit ik met regelmaat in de plaatselijke bibliotheek. Dat is pure noodzaak: ik heb een masterscriptie te schrijven en kan de talloze afleidingen in mijn eigen huis maar moeilijk weerstaan. De openbare bieb is wat dat betreft ideaal. De kans dat je daar in je joggingbroek van ellende maar weer eens koffie gaat zetten of ineens bedenkt dat alle handdoeken opnieuw opgevouwen moeten worden, is verwaarloosbaar. Het mooie van de bibliotheek is niet alleen dat je er waarschijnlijk geconcentreerd aan je werk zult gaan, je kunt er bovendien ook nog van alles leren over de mensheid om je heen. En dat zonder ook maar een boek open te slaan. Hier is wat ik reeds leerde:

  • Als je lang genoeg in de buurt van de Bouquet-romans blijft hangen, zul je zien dat er vanzelf eens een ouder dametje door die reeks gaat staan zoeken en een paar boeken mee naar huis neemt. Dat stelde mij gerust: blijkbaar hebben ook oudere mensen nog gewoon zin in gore passie en consequentieloze seks, ook al vliegen de vonken en lichaamssappen dan alleen nog van het papier. Dat is alvast één zorg over het ouder worden minder. Ik stel me zo voor dat oudere stellen dat aan elkaar voorlezen voor het slapen gaan, waarna ze elkaar knuffelen en met een warme gloed gaan slapen. En ja, ik ben mij bewust van de bizarre paden die mijn voorstellingsvermogen inslaat.
  • Niezen in de bieb klinkt inderdaad een stuk luider dan in andere omgevingen. Mocht u dit lezen, mevrouw in het roze: gat-ver-damme! Hou op z’n minst die vette klauw voor dat fucking schransgat! Dank u. En dat geldt ook voor u, meneer die uw toehoorders dagelijks een paar keer per uur verblijdt met het diepe, slijmraspende geluid van uw gekuch. Ik zou er trouwens eens mee naar de dokter gaan.
  • De bibliotheek is schijnbaar tevens een hangplaats voor minder fortuinlijke mensen van middelbare leeftijd. Ik wist nooit dat je in de bieb halve liters bier mocht opentrekken en op je winterslippers mocht rondwandelen, maar na de afgelopen weken weet ik wel beter. Je mag er zelfs in een soort spontane praatgroep slap ouwehoeren over hoe het dan wel een kutjaar was, maar dat je wel onwijs hebt gelachen (‘hè, weet je nog, pik?’), of met wat voor drogredeneringen je je geloof in God staaft. Oja, en als enige hardop lachen om je eigen grappen is geen enkel probleem.
  • Opvallend veel mensen voeren telefoongesprekken in de bibliotheek. Vast omdat het daar ‘zo lekker rustig is’, maar dat is helaas een illusie, want:
  • Hoewel jijzelf van huis uit hebt meegekregen dat je in de bieb stil bent of het volume in elk geval zoveel mogelijk dempt, is dat duidelijk niet een les die iedereen heeft geleerd. In de bibliotheek merk je gauw genoeg dat het voor veel mensen echt teveel is gevraagd om even geen of weinig geluid te maken. Een handjevol mensen, zo viel mij op, geeft tevens hardop commentaar op artikelen in tijdschriften en kranten. Het vermoeden rijst dat mensen tegenwoordig blijkbaar naar de bieb gaan om eens lekker te praten (zelfs zonder gesprekspartner), net zoals velen tegenwoordig naar de bioscoop gaan om allerlei maar uitsluitend krakend voedsel te eten. Wie de logica hier begrijpt, die verzoek ik het mij uit te leggen.
  • Kinderen leren lezen is verstandig. Ik begrijp dus prima waarom ze meegenomen worden naar de bibliotheek. Het is mij alleen iets minder duidelijk waarom ze daar ook zouden mogen rennen.
  • De bieb heeft stamgasten. Dat was nieuw voor mij, maar nu ik er ook één ben, begrijp ik het eigenlijk wel. In die bibliotheek kun je ongegeneerd jezelf zijn; je hoeft nergens rekening mee te houden. Ik denk dat ik morgen m’n koffie en handdoeken maar meeneem.

 

2400 x onnodig Engels

Ik was wat random aan het surfen en vond per toeval een interessante woordenlijst; 2400 x onnodig Engels. Deze lijst verschaft de lezer een flink aantal veelgebruikte Engelse woorden met het Nederlandse alternatief daarnaast. De radicale groepering achter dit project, Stichting Nederlands, is ervan overtuigd dat verengelsing onze taal devalueert. Ze waarschuwt voor een taalrevolutie, die zich nu al stilletjes voltrekt. “Als voertaal”, zo schrijven ze bovendien, “wordt het Nederlands steeds vaker vervangen door het Engels, zowel op universiteiten, bij bedrijven en elders in de samenleving. Hierdoor kun je op steeds minder plekken met het Nederlands uit de voeten, en dat is verkeerd”. Vanuit een gut feeling, als liefhebber van taal, kan ik mij vinden in dit standpunt. Echter, puur rationeel bekeken vraag ik me af of verengelsing inderdaad automatisch devaluatie betekent en of de vervanging van Nederlands als voertaal door Engels op veel terreinen wel echt zo’n kwalijke ontwikkeling is.

Op het eerste gezicht lijkt het wat laat om het Nederlands te verdedigen tegen invloeden van buitenaf. Het Nederlands is al verpest. Het is tekenend dat het Nederlandse alternatief dat de woordenlijst voor het woord casual biedt quasi-nonchalant is. In dit woord zijn namelijk de twee primaire oer-verziekers van het Nederlands vertegenwoordigd: het Latijn en het Frans. Zowel quasi als nonchalant zijn rechtstreeks overgenomen uit deze twee voormalige wereldtalen. Representeert dit ‘Nederlandse’ alternatief in de redenering van Stichting Nederlands dan geen eeuwenoude devaluatie? Wie zich verder nog verdiept in de etymologie rondom nonchalant ontdekt vervolgens dat het Franse woord zijn oorsprong ook weer vindt in het Latijn. Over Latijn gesproken: de waarschuwingen van Stichting Nederlands zijn wat mij betreft vergelijkbaar met de ophef rondom de vernielingen die Feyenoorders aanrichtten in Rome. Rome is in vijfde eeuw al eens vernield door vandalen, het grootste gedeelte van het stadscentrum is al eeuwen een puinzooi, overal ruïnes. Nu, 1500 jaar te laat, wordt er ineens moeilijk gedaan.

Ik geloof niet dat het slecht is om beïnvloed te worden door een belangrijke wereldtaal. Ik zou zelfs zo ver willen gaan te pleiten voor de geleidelijke vervanging van het Nederlands als communicatietaal, door het Engels. Waarom is het verkeerd als een universiteit of een bedrijf voor het Engels kiest als voertaal? Voor universiteiten en veel bedrijven is het belangrijk de ogen op de wereld te richten. Los van de vraag of het verkeerd is of niet, communiceert onze wereld vooralsnog voornamelijk in het Engels. Het is dus logisch en verstandig dat universiteiten en bedrijven de overstap maken.

Oud-hoogleraar Nederlands Hans van den Bergh bepleitte in 2004 al eens voor de vervanging van het Nederlands. In zijn artikel Ape, Nut, Mies komt hij met zeer overtuigende argumenten op de proppen. Hij stelt allereerst dat het voor het functioneren van Europa als eenheid ontzettend onpraktisch is om alle kleine talen in stand te houden en als gelijkwaardig te beschouwen. Daarbij maakt hij de vergelijking met de Verenigde Staten, die ervoor gekozen hebben het Engels aan te nemen als voertaal. Verder voert van den Bergh aan dat het geweldig zou zijn voor Nederlandse schrijvers om het Engels te gebruiken. Wanneer zij dit doen zullen zij namelijk ineens toegang hebben tot een veel grotere markt.

In onze gemondialiseerde wereld zou het bekrompen zijn om al te krampachtig vast te houden aan het Nederlands. Dit betekent echter niet dat het Nederlands waardeloos is, en zal verdwijnen. Nederlands is een prachtige taal. Liefhebbers zullen het Nederlands nog altijd gebruiken voor hun proza en poëzie. De misbruikers, die door Stichting Nederlands worden vermaand, kunnen zonder gewetenswroeging overstappen op het Engels. Zij gebruiken taal toch slechts voor communicatie. Zij die van taal genieten om haar schoonheid vergeten het Nederlands niet. Misschien is de overstap op het Engels als nieuwe voertaal de beste bescherming tegen de verengelsing van onze taal. Vanaf de overstap op het Engels zullen de vandalen zich volledig richten op hun nieuwe taal en het Engels vernederlandsen, terwijl het Nederlands slechts een aangelegenheid van verstokte liefhebbers zal zijn.

Journaluistiek

Hoewel het gros van het nieuws dat dagelijks tot ons komt het gevolg is van matige journalistiek, stoorde ik mij in de voorbije dagen uitdrukkelijk aan twee voorbeelden van hoe journalistiek in elk geval niet moet. Ik heb niet de pretentie journalist te zijn of te weten wat lezers willen (het overtuigende bewijs daarvoor is dat ik voor Met Man en Muys schrijf), maar dat neemt nog niet weg dat zelfs ik soms in staat ben journalistieke gemakzucht te herkennen. En dat zegt iets.

In de lokale krant van de plaats waar ik woon, trof ik een stuk dat was geschreven naar aanleiding van de brandbrief die Wakker Dier aan staatssecretaris Dijksma had gestuurd. Daarin pleit de stichting tegen dierenleed voor wetgeving die het onverdoofd slachten van vissen moet tegengaan. Het was voor de lokale journalist reden genoeg om naar de plaatselijke haven te gaan en daar te vragen wat de vissers van dat voorstel vinden. Hun antwoord was voorspelbaar: “Ik denk niet dat vissen gevoel hebben. Ik heb nog nooit een schol van pijn horen schreeuwen als hij gestript wordt. Het is een onzinnig voorstel en ik denk dat het niks wordt.” Juist. Omdat een vis geen gemakkelijk herkenbare pijnsignalen afgeeft (daarbij bepaald niet geholpen door het feit dat een vis, bijvoorbeeld, geen stembanden heeft), rechtvaardigt dat de conclusie dat deze dieren geen gevoel hebben. En derhalve is onverdoofd slachten geen enkel moreel probleem.

Los van dat soort glibberige redeneringen: waar was de journalist nu eigenlijk op uit? Wat voor nieuwswaardige reactie had hij verwacht van de vissers? Het is namelijk in het belang van de visser dat we vissen toch vooral zien als lekkere en van de moraliteit los gezongen hapjes, in plaats van als de ontwikkelde dieren die ze zijn. De journalist had niet naar de haven gehoeven om te bedenken dat vissers het oneens zouden zijn met maatregelen die hen geld en reputatie kosten. Het enige, logisch voorspelbare antwoord dat de visserij had kunnen geven, is dat er niets mis is met hun praktijken; toegeven is jezelf onherroepelijk in de vingers snijden. Dus, wanneer verder ook een door feiten gestaafde discussie over het gevoelsleven van vissen uitblijft, wat is dan nog de nieuwswaarde van het stuk?

Een vergelijkbaar voorbeeld van ondermaatse journalistiek trof ik op een website voor autoliefhebbers. Want, ja: zo één ben ik er. In het filmpje dat ik op de pagina bekeek, werd een testrijder over een nieuw model ondervraagd. Eén van de vragen van de journalist was of de auto nog steeds evenveel rijplezier bood als het vorige model. De vraag werd gesteld met een glimlach op het gezicht; de journalist begreep zelf schijnbaar ook dat het een onzinnige vraag is om te stellen aan een testrijder, die nota bene meewerkte aan de ontwikkeling van de auto en bovendien betaald wordt door het bedrijf dat die auto wil verkopen. Dus natuurlijk was het antwoord ‘jazeker!’. Even voorspelbaar was de respons op de vraag of de auto nu sportiever of juist comfortabeler is geworden: allebei, uiteraard! Daarmee kregen we precies te horen wat we gegeven de situatie allang wisten. Geen onvertogen woord en louter positieve geluiden van iemand die een belang te beschermen heeft. Maar, nogmaals, wat is de nieuwswaarde hiervan?

Er is niks mis met vragen naar de bekende weg. Het kan geen kwaad zo nu en dan bevestigd te zien wat we al wisten. Maar beter is het om juist verrast te worden, om ongelijk te krijgen en het tegendeel te moeten verkennen. Zo informeren we ons en worden we wijzer. En dat, zo lijkt mij, is een uitgelezen taak voor de journalistiek.

 

Een renaissance

Een paar dagen terug verraste ik mijzelf, met hoe boos ik was. Ik ben niet vaak boos, dus dat was op zich al opmerkelijk, maar meer nog was het de situatie die mij boos maakte die mij verraste. Ik keek de Magic: The Gathering Pro Tour. Voor zij die minder nerderig zijn dan ikzelf; Magic: The Gathering is een spel waarbij twee spelers doormiddel van het spelen van kaarten elkaars levenspunten naar nul proberen te krijgen, en zo te winnen. De Pro Tour is het op één na grootste toernooi in dat spel en wordt live uitgezonden op YouTube. Ik heb echter vaak geen tijd om dat live te volgen (het zijn drie dagen van acht uur) en bekijk de wedstrijden later. Ik was bij de halve finale aanbeland. Toen ik de eerst geüploade halve finale aanzette waren de eerste woorden van de commentator iets in de volgende trant: “(Halvefinalist uit de andere halve finale) is zojuist doorgegaan, laten we gaan kijken tegen wie hij het op moet nemen in de finale.” Magic: The Gathering had de wedstrijden in de verkeerde volgorde geüpload en ik kwam zo dus al de uitkomst te weten van een wedstrijd die ik nog moest kijken. Iets dergelijks gebeurde me twee maanden terug bij het wereldkampioenschap Magic ook al. Ik was pas halverwege en toen zag ik een foto van de winnaar op de officiële Magic-Facebookpagina voorbij komen. Het feit dat ik me daar zo over opwond past in een ontwikkeling die ik bij mezelf bemerk; ik ben het laatste jaar aanzienlijk nerderiger geworden.

Ik speelde op de middelbare school altijd al Magic (wij deden dat in een apart klaslokaal, omdat we als we dat in de kantine deden teveel werden gepest), ik heb me altijd ongemakkelijk gevoeld bij het overtreden van regels, en als ik terug kijk naar mijn kledingkeuze staat het schaamrood mij op de kaken. Toch zou ik mezelf in die tijd (waarschijnlijk ten onrechte) nooit een nerd hebben genoemd. De laatste tijd doe ik echter veel nerderigere dingen dan toen. Niet alleen speel ik weer Magic, maar kijk ik ook Magicwedstrijden na op het internet, lees ik tot diep in de nacht artikelen over kaartcombinaties, en wordt ik blijkbaar oprecht boos wanneer ik in die dingen gehinderd word. Ook ben ik recentelijk begonnen met het ultieme nerdvermaak, Dungeons and Dragons, en luister ik podcasts waarin andere mensen dat spelen.

Ik heb in het afgelopen jaar mijn innerlijke nerd herontdekt. Ik omarm mijn nerdzijn en dat is heel bevrijdend. Ik heb zelfs anderen mee kunnen slepen. MMeM-collega Thomas de Looier en ik hebben nu al twee keer tot diep in de vroege ochtend Magic gespeeld, terwijl hij tot voor kort niets van het spel moest weten. De groep waarmee ik Dungeons and Dragons speel bestaat voor het grootste gedeelte uit mensen aan wie ik moest uitleggen dat D&D níet ‘toch zo’n computerspel ofzo’ was.

Ik kan iedereen ten zeerste aanraden eens uit zijn of haar comfortzone te stappen en iets te proberen waarvan ze eerst denken dat het niets voor hen is. In het ergste geval heb je een verspilde middag, in het beste geval een nieuwe passie. En gepassioneerde mensen zijn sexy.

De Met Man en Muys Survival Guide: how to solve the Griekse impasse?

Met de installatie van een nieuwe Griekse regering werd maar weer eens pijnlijk duidelijk waarom we de Met Man en Muys Survival Guide schrijven. Want zonder onze incidentele begeleiding maakt de wereld er geheel op eigen kracht een zooitje van. De nieuwe Griekse regering zet in op kwijtschelding van de -toegegeven- forse schuldenberg, maar de Europese Unie voelt daar maar weinig voor. Voor allebei de kanten valt wel iets te zeggen. De vraag is nu: hoe komen we hieruit? Daarom vandaag in de Met Man en Muys Survival Guide: how to solve the Griekse impasse?

  • Een goed begin is het tegen elkaar afstrepen van schuld. Voor elke euro die Griekenland geleend heeft, zetten we dan één euro schuld uit de rest van de Europese Unie, en die worden vervolgens allebei kwijtgescholden. Dat zou de redactie trouwens buitengewoon goed uitkomen, want wij hebben nog wat studieschulden waar we vanaf moeten. En enorme betalingsachterstanden bij Bacardi, voor die honderden Breezers die we op onze rekening hebben laten zetten. Mocht er hierna nog wat Griekse schuld overblijven, dan neem ik ook genoegen met een leuk autootje. Dus ja, dit lijkt me een mooi begin van de oplossing.
  • Als we dan toch bezig zijn: laten we op eenzelfde manier onze overige schulden wegwerken. We kunnen er vast uitkomen met de anderen die tegelijkertijd onze schuldeisers en onze schuldenaars zijn. Zeker met de VS kunnen we een leuk bedrag afrekenen. Ik voel trouwens ook wel wat voor een tweede huisje. Op een Grieks eiland, bijvoorbeeld. Hé, wacht.
  • Vrij van onze schulden kunnen we allemaal een hypotheekje afsluiten voor een mooie vakantievilla. Als we die collectief in Griekenland zoeken (of beter: laten bouwen), bloeit de Griekse economie binnen een paar maanden weer als een bos violen in een warme emmer stront. We doen er goed aan tegelijkertijd en massaal feta per kuub te kopen. En al die Griekse salades die je daarmee kunt maken zijn goed voor de gezondheid, dus dat scheelt ons op den duur miljoenen euro’s aan ziektekosten.
  • Zodra het geld in Griekenland weer begint te rollen, zullen ook zij een hypotheek kunnen nemen voor een tweede huis. Als die dan ook nog in de Europese Unie staat, zal de economie Uniebreed aantrekken. En voor je het weet zijn we weer terug bij die oude, vertrouwde situatie: iedereen een schuld, iedereen gelukkig.
  • Weg probleem. Tot uw dienst.

Leelah Alcorn

Ik luister graag naar de uitstekende podcast van Dan Savage, ‘The Savage Lovecast.’ Voor de mensen die hem niet kennen: Savage is een bekende, Amerikaanse adviescolumnist en beroepshomo. Wanneer er iets gezegd moet worden over homoseksualiteit, homohuwelijken, transseksualiteit of iets anders wat de gemiddelde Amerikaan maar vies vindt, is Dan vaak de eerste die gebeld wordt. In zijn podcast bellen mensen met vragen over relaties en seks, welke hij dan beantwoord. Hij is een erg grappige man, en ik durf best toe te geven dat ik een hele hoop geleerd heb van zijn programma. Gaat en luistert!

Hij opent zijn programma vaak met een tirade over iets uit de actualiteit. Vaak iets over seks, relaties of iets homogerelateerd, maar ook dikwijls over politiek. Ik ben er niet bijzonder in geïnteresseerd, dus naast de echt grote dingen die ik nog wel eens via de krant binnenkrijg is de Lovecast mijn enige bron van Amerikaans homonieuws. (Ik hoop dat ik het eigenlijk niet hoef te zeggen, maar ik ben natuurlijk geheel voorstander van gelijke rechten voor homoseksuelen. Mijn gebrek aan interesse is alleen dat, en niet afkomstig van homofobie.) Ik loop een paar weken achter met luisteren, dus het nieuws dat ik wil bespreken is ondertussen al geen nieuws meer, maar ik hoorde het pas vanavond voor het eerst.

In aflevering 428 opent Dan met een bespreking van het nieuws dat de transseksuele tiener Leelah Alcorn voor een vrachtwagen is gelopen en zo zelfmoord heeft gepleegd. Zij heeft, conform de tijdsgeest, een digitale zelfmoordbrief geschreven, die zoals ingepland na haar overlijden op haar Tumbler pagina verscheen. In de brief legt Leelah de schuld van haar ongelukkigheid vooral bij haar fundamentalistisch christelijke ouders. Zij accepteerde Leelah niet als vrouwelijk, hielden haar thuis ingesloten en ontzegde haar contact met de buitenwereld en normaal tienerleven. Savage pleit voor vervolging van de ouders.

Ik vind transseksualiteit altijd een moeilijk onderwerp. In mijn persoonlijke beleving is geslacht puur een omschrijving van iemands fysiologie. Ik vóel me niet zozeer een man, als dat ik weet dat ik een piemel heb. Noch voel ik me erg niet-vrouw. Ik vind het net zo onbegrijpelijk als een lang persoon die zich gevangen voelt in een kort persoon’s lichaam, hoewel dat vast ook wel een bestaand iets zal zijn. Ik wil hiermee niets afdoen aan de ervaringen van transseksuelen. Ik geloof helemaal dat het om een echt iets gaat, en sta volledig achter ze wanneer het gaat om hun pogingen om geaccepteerd te worden voor wie ze zijn. Dat neemt echter niet weg dat ik mezelf er zo af en toe aan moet herinneren dat het daadwerkelijk iets is waar transseksuelen het heel moeilijk mee kunnen hebben, en dat het wel degelijk een heel serieus probleem kan zijn als er door de omgeving van die persoon niet goed mee om wordt gegaan.

Ik wist dat de zelfmoordcijfers onder homoseksuele en transseksuele jongeren schokkend hoog waren. Ik dacht dat dat kwam doordat pubers allemaal hufters zijn en elkaar diep ongelukkig pesten wanneer ze daar een excuus voor kunnen vinden. Waar Dan Savage mij echter op moest wijzen is dat het vaak, zo ook in het geval van Leelah Alcorn, niet de leeftijdsgenoten zijn die LHBT-jongeren de dood in pesten, maar juist de ouders. Ik ben benieuwd of dat in het liberale en seculiere Nederland ook het geval is, maar de enige verslagen van dergelijk onderzoek die ik kan vinden, gaan over Amerikaans onderzoek.

Of de ouders van Leelah Alcon vervolgd moeten worden weet ik niet. Mijn eerste instinct zegt van wel. De wet gaat echter niet over wat mijn eerste instinct zegt, maar over wat mensen die slimmer zijn dan ik na lang nadenken hebben opgeschreven over wat juist is en wat niet. Dat is waarschijnlijk maar beter ook. Van wat ik kan zien vanachter mijn computerscherm, een halve aardbol verwijderd, hebben we het hier echter over een dood en jaren van ongeluk die daaraan vooraf gingen die voorkomen hadden kunnen worden. En dat is verdomde kut.

Mijn ‘Zachte’ Wetenschap

Ik werk nauw samen met mensen die een exacte wetenschap bedrijven. Dat is vrij uniek, aangezien ik mij tijdens mijn studie slechts op de humaniora gericht heb en mij als gevolg daarvan normaliter niet in dezelfde kringen als natuur- en wiskundigen begeef. Ik geef huiswerkbegeleiding. Daarom. Met drie begeleiders van verschillende achtergronden help ik middelbare scholieren met hun leerstof. Onlangs meldde een collega, een jonge wiskundestudente, met een zelfgenoegzame grijns dat er iemand was die hulp nodig had bij zijn geschiedenishuiswerk. “Ik weet het allemaal niet. Ga jij hem eens even een verhaaltje vertellen”, voegde ze daaraan toe. Net daarvoor hadden we een discussie gevoerd over het nut van de geesteswetenschappen. Het was een schijndiscussie die abrupt eindigde met haar retorische vraag, “wie verdient er straks meer, denk je?” Ik was beledigd en behoorlijk boos, en vroeg mij af waarom deze opmerkingen mij zo raakte. Haar minachting raakte een gevoelige snaar. Ze verwoordde een geloof waarvan ik exacte wetenschappers al verdacht. Tot dat moment, echter, had nog niemand dit vermoedelijke sentiment zo eerlijk en rücksichtslos verwoord. Dit idee, dat de geesteswetenschappen ondergeschikt zijn aan de exacte wetenschappen, is volstrekt onzinnig.

Laat ik vooropstellen dat ik alle wetenschap prachtig vind. Ik heb diepe bewondering voor exacte wetenschappen als wiskunde en natuurkunde, die puzzelen en wetmatigheden zoeken; interessant, relevant, en bij vlagen zelfs schoon. Mijn kennis van wiskunde, natuurkunde, informatica en techniek is zeer beperkt en dat zie ik als een gemis en een beperking. Ik had graag een betere basiskennis gehad op het gebied van wiskunde en had ook graag op niveau meegedacht over de natuurwetten. Ik heb daar geen tijd in geïnvesteerd en wellicht ook niet het talent voor. Ik heb wel geïnvesteerd in de andere kant van de wetenschap, die doorgaans de ‘zachte’ wetenschap genoemd wordt.

Wij van de zachte wetenschap zijn inderdaad met verhaaltjes bezig en daarvoor schaam ik me niet in het minst. Fictie is overal en het is vreemd dat velen zich daar weinig bewust van lijken te zijn. Ieder mens leeft in een fictie. Hij bedenkt een verhaal voor zichzelf, over wie hij is en wat hij doet, en heeft daarbij ook een verhaal voor zijn wereld. Zo geeft hij betekenis aan zijn wereld. Zelfs wij, postmodernisten die niet meer in een groot verhaal geloven, vertellen onszelf en anderen verhaaltjes. Een vriend van mij zei ooit eens heel mooi: “Ons grote verhaal is dat er geen groot verhaal meer is.” Zo is de cirkel weer rond. Het is evident dat iedereen altijd alles interpreteert en het is goed ons daarvan bewust te zijn. Onze interpretaties moeten worden bestudeerd en bevraagd, omdat ze een groot onderdeel van ons dagelijks leven vormen.

De historicus die een middeleeuws klooster in West-Friesland bestudeert en daar een heel jaar aan kwijt is, doet geen nutteloos werk. Zijn onderzoek is misschien niet direct toepasbaar in de maatschappij, maar draagt wel bij de vorming van het verhaal van onze cultuur. Het heeft misschien niet onmiddellijk een duidelijke functie, maar het is een van de puzzelstukjes. Net als natuurkundigen, houdt deze historicus zich bezig met vragen die niet dringend beantwoord hoeven te worden, maar wel bijdragen aan beter begrip van onze wereld. In het geval van de historicus is dat de geestelijke wereld en in het geval van de natuurkundige de fysieke.

Over de wat er om ons heen gebeurt hebben we vrijwel altijd een mening en die wordt vaak gevoelsmatig gevormd. Werken met slechts een gevoel is gevaarlijk en onbetrouwbaar, zo zullen ook de exacte wetenschappers erkennen. Als kinderen van de verlichting gebruiken wij de rede! Bij Ruslands inval in de Oekraïne, de aanslag op Charlie Hebdo, de oorlog in Syrië, is een goed en cultureel gevoelig standpunt onmisbaar. Zeker op politiek niveau is het uitermate belangrijk dat het verhaaltje bekend is. Een wetenschappelijke benadering van taal, geschiedenis en cultuur is van levensbelang in de diplomatie. Niet voor niets zijn er zo veel historici te vinden op ambassades en in het parlement.

Tot slot, is de wetenschap rondom de letteren relevant om de zeer eenvoudige reden dat wij taal gebruiken voor onze communicatie, een gegeven waarop onze gehele menselijkheid gegrondvest is. Dit lijkt misschien een flauw argument, maar is het niet. Taal is een machtig middel dat vaak gebruikt is om hele volken op te ruien en te bewegen. Ons dagelijkse leesvoer is ontzettend gekleurd. De schrijvers van onze kranten proberen ons iets duidelijk te maken, politici pogen ons te bespelen met hun taalgebruik en advertenties bewegen ons zonder dat wij ons daarvan bewust zijn. Onze maatschappij heeft deskundigen nodig, kritische lezers en luisteraars, die ons kunnen erop kunnen wijzen dat we bespeeld worden, wanneer zich weer eens een zeer slinkse drogredenering voordoet. We hebben historici nodig, die de cultuur dusdanig doorgronden dat zij sentimenten kunnen relativeren, en ons kunnen waarschuwen voor onze zwakheden.

Poezen en dozen

De faculteit diergeneeskunde van de Universiteit van Utrecht is na onderzoek tot nieuwe conclusies gekomen: poezen die in een doos zitten, hebben minder stress dan poezen die die mogelijkheid niet hebben. Dierenartsen ontdekten dit tijdens een onderzoek waarbij katten enige tijd in een afgesloten kooi zaten. Ten opzichte van katten zonder schuilplaats waren de beestjes die beschikten over een doos minstens drie dagen eerder hersteld van de stress. Een mooi resultaat, dat meteen flink demystificerend werkt voor al die online filmpjes en foto’s van katten die compulsief in en door kartonnen dozen kruipen.

Het onderzoek deed mij denken aan een terloops experiment dat ik enige tijd geleden zelf deed. Mijn methode was ongeveer gelijk, maar mijn resultaten gelden als nuance op het verhaal van de Universiteit van Utrecht. Zo ontdekte ik dat katten zelfs ín de doos al een stuk rustiger neigen te worden. Het enige dat ze nodig hebben, is tijd. Met de kanttekening dat de poes na één dag kortstondig heel onrustig wordt (en ik de doos, in naam van het experiment, grondig dicht heb moeten tapen), ondervond ik dat het beestje daarna gaandeweg steeds kalmer werd. En, zo blijkt, hoe langer ze erin blijven zitten, hoe rustiger ze worden. Eén van de katten op mijn zolder, Schrödinger, is zelfs zo ontspannen dat ik ‘m al een half jaar geen eten en drinken meer heb hoeven geven. Hij stinkt wel een beetje, maar ik denk dat dat komt doordat hij zich niet meer wast. Daar is ‘ie waarschijnlijk te relaxt voor, en z’n doos bovendien te klein.

Wat het onderzoek uit Utrecht ook verzuimt te vermelden, is dat de katten alleen minder stress ervaren als je de doos niet zo af en toe flink schudt. Of er regelmatig knikkers tegenaan gooit. Dat lijken mij geen overbodige details. Bovendien vermoed ik dat mijn bevindingen voor meer diersoorten gelden. Dus ja, een prima onderzoek van de Universiteit van Utrecht, maar het had wel iets diepgravender gemogen.