Dierengriend

We schreven op Met Man en Muys al eerder over de opmerkelijke verhouding die Nederlanders met de natuur hebben. Hier, bijvoorbeeld, of hier. En hier en hier. Het lijkt, nu ik het zo nog eens bezie, wel een terugkerend thema. Hoe dan ook, vandaag kunnen we aan de uitdijende reeks Nederlandse-natuuroverpeinzingen een nieuw voorval toevoegen. Het Waddeneiland Griend gaat namelijk hersteld worden.

Het plan: Griend, een klein eilandje tussen Terschelling en Harlingen, zal de komende maanden door middel van zandopspuitingen voor een gewisse wegvaging behoed worden. Want zo zorgelijk is het blijkbaar. Als er niet ingegrepen wordt, zal het onbewoonde eilandje waarschijnlijk volledig onder de zeespiegel verdwijnen. Dat zou echter doodzonde zijn, zo meent de beheerder Natuurmonumenten, want het eiland vervult een belangrijke rol als leefomgeving voor allerlei soorten trek- en broedvogels. Een eventuele verdwijning van Griend zou volgens Natuurmonumenten dan ook ‘een aderlating voor de natuur in de Waddenzee’ zijn.

Ik twijfel of ik hier nog iets moet toelichten. Vooruit: een prachtig en door en door Nederlands verhaal. De beheerder van de natuur (een tegenstelling, trouwens) gaat groots ingrijpen in de werking van de natuur omdat de natuur anders verloren gaat als gevolg van de natuur. Aangezien de natuur schijnbaar niet voor zichzelf kan zorgen, zal iemand iets moeten doen tegen de woeste zeestromingen die Griend nu bedreigen. Daarom is het aan ons de nobele taak om de natuur tegen de natuur te beschermen. De stevig gelaagde ironie van natuurherstel: dat kunnen alleen de Nederlanders zijn.

Snotneus.

Ophef bij de KRO-NCRV. In de uitzending van het televisieprogramma Brandpunt van afgelopen dinsdag noemde presentator Fons de Poel het GroenLinks-Kamerlid Jesse Klaver een ‘snotneus’. Klaver werd genoemd in verband met het onderwerp van de bewuste uitzending: de positie van ABN Amro. De Poel nam het daarbij op voor de hoge bazen van de bank, schijnbaar in de veronderstelling dat die bazen niet bij machte zijn dat zelf te doen, en beschrijft Klaver’s acties en uitspraken derhalve nogal schamper. Na een fragment waarin Klaver spreekt, reageert De Poel met ‘snotneus’.

Toegegeven, dit soort acties zijn we normaal gesproken vooral van Herman van der Zandt gewend. Meestal is de timing dan beter en spat de onderkoeldheid ervan af. De Poel, daarentegen, overtuigd humoristisch niet erg en komt ietwat gefrustreerd over. Hij lijkt het zich, als een onvervalste internetreageerder, veel te persoonlijk aan te trekken. Daar blijkt echter meer achter te schuilen: De Poel klust zo nu en dan bij bij ABN Amro. Het zaakje ruikt dus een beetje naar WC-Eend, en daarom gaat de KRO-NCRV nu in beraad over De Poel.

Wat mij betreft moet de uitkomst tweeledig zijn. Enerzijds verdient De Poel een stevig gesprek over zijn bijverdiensten. Die zijn namelijk principieel niet zo goed te combineren met de journalistieke pretenties van Brandpunt. Bovendien zou De Poel zich eens moeten afvragen waarom bankiers beschermd zouden moeten worden tegen kritische geluiden vanuit de politiek: was (en is) dat namelijk niet de kern van de problemen in de financiële wereld? Anderzijds wil ik De Poel een omhoog gestoken duim toespelen. Hij heeft immers het prachtige, oer-Hollandse ‘snotneus’ weer in onder de collectieve aandacht gebracht. Want hoe we het ook wenden of keren: er is geen mooier, gepaster woord om je minachting voor iemand kenbaar te maken. Geen woord zo duidelijk lakend als ‘snotneus’. Een verfrissend geluid in een discours dat momenteel vooral gedomineerd wordt door ziektes en Engelse leenwoorden.

De Poel mag wat mij betreft dan ook blijven. Maar alleen op de voorwaarde dat hij het woord ‘snotneus’ blijft gebruiken, en zorgt dat hij de term voor de rechtmatige snotneuzen hanteert.

Blij met V&D

V&D heeft een website geopend waarop iedereen hardop mag meedenken over een nieuwe strategie voor de winkelketen. Nadat V&D in de afgelopen maanden naar verluid langs de rand van een faillissement is gegaan, wordt nu alles op alles gezet om het bedrijf er weer bovenop te krijgen. Termen als ‘loonoffer’ en ‘huuronderhandeling’ vlogen ons daarbij om de oren, en met de website Blij met V&D kunnen we ‘strategiesuggesties’ aan dit bijzondere rijtje toevoegen.

Het is een wat merkwaardige stap, maar misschien wel één die ‘oude’ bedrijven vaker zullen moeten gaan overwegen. V&D is, net als zoveel ondernemingen, ooit begonnen omdat de stichtende ondernemers een ‘gat in de markt’ zagen. Zij zagen én creëerden een behoefte, en speelden daar met hun bedrijf handig op in. Eigen ideeën en waarnemingen vormden de basis van de strategie. Juiste strategische keuzes verleidden de klant en rechtvaardigden zo het (voort)bestaan van de winkel. Klassiek ondernemerschap.

Sinds de oprichting van de V&D is er echter ruim honderd jaar verstreken. De oorspronkelijke gaten in de markt zijn tot over de rand gevuld en de klant koopt inmiddels niet vaak genoeg meer bij de keten om het voortbestaan ervan te kunnen garanderen. Mede vanwege de leeftijd en de grootte van het bedrijf, doet het interessante verschijnsel zich nu voor dat de ondernemers niet langer zien welke gaten in de markt er nog bestaan en welke strategische keuzes er gemaakt moeten worden. Onder de klassieke bedrijfseconomische wetten zou V&D ten dode opgeschreven zijn: de onderneming doolt blind rond. Maar in plaats daarvan wordt de ondernemersvraag nu naar de klant omgebogen. Hoe denkt die zelf tot kopen te verleiden te zijn? De vraag zo direct aan de klant stellen, is wellicht de laatste sparteling van het bedrijf, maar het kan net zo goed de weg omhoog betekenen.

In het geval van V&D speelt er nog een andere overweging mee. De keten vormt één van de hoekstenen van de Nederlandse winkelgebieden. Ze huist doorgaans in de grootste, meest uitgesproken panden, op de belangrijkste locaties. Bij de V&D hoort voor veel Nederlanders bovendien een flinke scheut nostalgie. De winkel is onderdeel van het collectieve bewustzijn en een onmiskenbaar onderdeel van de Nederlandse openbare ruimte en winkellandschap. Ze is een bijna een soort openbare instelling. Vanwege dat collectieve belang zien veel Nederlanders het bedrijf liever slagen dan ten onder gaan, zelfs als ze er zelf nooit iets kopen. Hoewel dat laatste natuurlijk precies de reden is waarom V&D nu in haar voortbestaan bedreigd wordt, is de betrokkenheid van het publiek in elk geval een positief signaal. De vraag blijft echter of de klant weet wat ze wil.

Top Gear

Ik volg Top Gear al meer dan tien jaar. Ik weet niet eens meer precies hoe ik het programma ooit op het spoor ben gekomen, maar als jochie van 13 ben ik waarschijnlijk tijdens het zappen door het programma gegrepen. Seizoen twee was bezig, en ik zag drie mannen die in auto’s reden en daarover naderhand grappend spraken in een vrijwel lege hal. Voor mij, als levenslange autofanaat, waren die auto’s vermoedelijk de voornaamste reden om te blijven kijken. De spoeling voor autoprogramma’s was dun en bovendien waren de meeste van die programma’s tenenkrommend slecht. Het gros is dat nog steeds, trouwens. Maar in 2003 werd elke seconde die gewijd was aan vier banden, een stuur en een motor, hoe slecht ook, door mij gekoesterd.

Maar al snel merkte ik dat Top Gear anders was en iets nieuws bracht. Ik zag mannen die begrepen wat het betekent om een liefhebber van auto’s te zijn. Zij snapten dat liefhebbers (en 13-jarige jongetjes; die twee categorieën vallen nogal eens samen) niet geïnteresseerd zijn in gedegen consumentenadvies over hoofdruimte achterin of de mogelijke kleurencombinaties en de bijbehorende prijzen. Dat is informatie die voor de consument relevant is, wanneer hij of zij op zoek is naar een geschikt vervoersmiddel. Echte autofanaten, daarentegen, zien de auto niet louter als middel, maar als doel op zich. Dat doet ertoe, aangezien de band en omgang met een doel fundamenteel anders is dan de omgang met een middel. De relatie met het doel is ten diepste persoonlijk en contextueel, waardoor de rationaliteit het steeds verliest van ondoorgrondelijke, subjectieve voorkeuren en ervaringen. Anders gezegd: voor autoliefhebbers is objectiviteit met betrekking tot een auto volstrekt irrelevant. Wat telt, is de mate waarin de auto zoiets vaags als ‘passie’ weet op te roepen. En Top Gear begreep dat.

In de afgelopen 12 jaar heb ik geen enkele aflevering gemist; de meeste episodes heb ik meerdere keren gezien. Een groot deel van mijn Engelse vocabulaire is zelfs rechtstreeks terug te voeren op die poky motoring show. De show werd na verloop van tijd merkbaar professioneler, groter en spectaculairder. Maar ondanks alle opsmuk bleef de kern in wezen hetzelfde: de auto als persoonlijke beleving stond centraal. Wat je ook van Top Gear vindt, of van de boodschap die het uitdraagt, het programma wist wel haarfijn de vinger te leggen op wat het betekent om een autoliefhebber te zijn. Om te zien dat je met je gekke verhouding tot blik, olie en metaal gelukkig niet de enige bent. En om te delen in het plezier van andere liefhebbers, die snappen dat een auto meer kan zijn dan de som van zijn afzonderlijke onderdelen.

Jeremy Clarkson, het onbetwiste boegbeeld van Top Gear, kreeg afgelopen week te horen kreeg dat zijn contract bij de BBC eind deze maand niet vernieuwd zal gaan worden omdat hij fysiek geweld tegen één van de producers gebruikt heeft. Wat mij betreft is dat volkomen terecht: zulk zinloos geweld kan en mag niet getolereerd worden, of je nu Jeremy Clarkson heet of niet. Maar met Clarkson komt ook een eind het Top Gear dat we nu 13 jaar lang kennen. De kans is namelijk groot dat ook James May en Richard Hammond zonder Clarkson niet door willen met het programma. Dat begrijp ik, of sterker: ik verwacht eigenlijk niet anders. De fijne, complexe chemie tussen de drie presentatoren is met de jaren één van de hoekstenen van het programma geworden. Wanneer alleen Clarkson wordt vervangen, verliest het presentatorentrio de gedeelde geschiedenis, terwijl dat nu juist één van de krachten achter de geslaagde onderlinge verhoudingen is.

Op dit moment zijn er allerlei vervolgscenario’s mogelijk. Het waarschijnlijkst is dat de BBC doorgaat met Top Gear, maar pas nadat het bedrijf drie nieuwe presentatoren (m/v) heeft aangesteld. Ik zal zeker kijken: de formule van Top Gear is nog steeds de moeite waard. De vraag is of de drie nieuwelingen in staat zijn net zo’n interessante driehoeksrelatie te smeden als hun voorgangers. Er is hoop: de vorige drie zijn ook tamelijk willekeurig bij elkaar gezet. Voor het oude Top Gear-trio hoop ik dat een andere omroep zich aandient, bij voorkeur zelfs één waarbij ze de schaal iets moeten terugschakelen. Wat ze daar ook gaan doen: laat ze zo af en toe in een auto zitten. Laat die liefhebber zo nu en dan een glimp zien van de passie die elk van de heren voor auto’s heeft. Dat stelt mij, als verdwaalde autoliefhebber, gerust en zorgt er bovendien voor dat we niet één, maar effectief twee verschillende Top Gears zullen hebben. Met dat vooruitzicht kan ik wel weer 13 jaar vooruit.

Baardsecretaris

Nadat Ivo Opstelten en Fred Teeven anderhalve week geleden opstapten, werd de zoektocht naar twee opvolgers voor de voormalige minister en staatssecretaris gestart. Inmiddels zijn ze dan gevonden: Ard van der Steur zal als nieuwe minister van Veiligheid en Justitie ondersteund worden door de nieuwe staatssecretaris Klaas Dijkhoff. Van hen weet en vind ik verder niets, maar toch wil ik de benoeming van Dijkhoff voorzien van een gepast applausje. Met hem keert er na een lange afwezigheid namelijk weer een (bescheiden) baard terug in een Nederlands kabinet.

Hoewel de baard in onze samenleving en onder invloed van het hedendaagse modebeeld eerder regel dan uitzondering is, schittert deze in vak K al enige jaren door afwezigheid. Gezichtshaar is in het algemeen niet moeilijk te vinden in de lijst van opeenvolgende kabinetten: een snor komen we in allerlei vormen en formaten in bijna elke kabinetsperiode wel ergens tegen. Maar naar een baard is het aanmerkelijk grondiger zoeken. Mijn onderzoek naar baarddragende bewindslieden bracht mij naar Herman Heinsbroek als Dijkhoffs directe baardvoorganger. Hij was in 2002 (zeer kort) minister en droeg, net als ikzelf overigens, een wat halfslachtig baardje. Niettemin: gezichtshaar van oor tot oor. Maar 2002 is inmiddels wel al ruim 13 jaar geleden. Dat zijn 13 aaneengesloten jaren waarin baarddragers zich niet zichtbaar gerepresenteerd zagen in hun regering.

Toen ik nog iets verder naar regerend baardhaar groef, merkte ik dat het probleem groter was dan ik in eerste instantie had vermoed. Van 2002 moeten we namelijk helemaal terug naar 1982 voordat we weer een baard van betekenis tegenkomen. Met Jaap van der Does had baarddragend Nederland destijds, zij het wederom kort, een waardige vertegenwoordiger in de functie van staatssecretaris. Natuurlijk, staatssecretaris Jaap Scherpenhuizen droeg in 1986 weliswaar een sik waarin je je volledige bestek kon kwijtraken, maar een baard mag het toch zeker niet genoemd worden. En wat voor baas staatssecretaris Jan Schaefer van 1973 tot 1977 ook was, een goatee blijft een sik. Maar zelfs zulke flinke sikken kunnen niet verhullen dat er tussen 1981 en 1939 geen enkele baarddragende minister of staatssecretaris te vinden is. Een absurde realiteit. Pas met Jan Rudolph Slotemaker de Bruin vinden we eindelijk weer een wollig gezicht in de Nederlandse parlementaire geschiedenis. Maar dus wel pas in 1939. We kunnen dus constateren dat de baard met maar drie dragers over een periode van 76 jaar behoorlijk ondervertegenwoordigd is.

Ondanks de inspanningen van vrijwel uitsluitend Japen en Jannen in de Tweede Kamer, is een fikse dosis gezichtshaar de afgelopen decennia bijna van het politieke toneel verdwenen. Baarddragende premiers als Pieter Cort van der Linden, Nicolaas Pierson, Julius van Zuylen van Nijevelt en hipster avant-la-lettre Gijsbert van Tienhoven draaien zich waarschijnlijk hoofdschuddend en baardbedekkend om in het graf. Gelukkig gloort er met de aanstelling van Dijkhoff weer hoop aan de horizon: de baard is terug. ‘Klaas’ als vervolg op de reeks ‘Jan-Jaap-Herman’. Het is voor Dijkhoff te hopen dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de lengte van de baard en de lengte van de ambtsperiode. Anders kon het namelijk wel eens een erg korte rit worden.

 

Bouwdebat

Een maand geleden woonde ik een voorlichtingsavond over een relatief groot nieuwbouwproject in mijn stad, Den Helder, bij. Het is één van de vele vernieuwingen die de stad momenteel op allerlei manieren kwalitatief moeten verbeteren. Dat was nodig ook; de twintigste eeuw is bepaald niet vriendelijk met de stad omgesprongen en overal zijn de werktuigelijke sporen daarvan zichtbaar. Het doel van dit bewuste nieuwbouwproject is precies die ruwe realiteit tot iets draaglijks om te vormen, zoals tatoeages dat soms zo nobel bij brandwonden kunnen doen. Die pogingen boeien mij en ik volg de ontwikkelingen dan ook op de voet.

Met zo’n dertig tot veertig andere geïnteresseerden en omwonenden nam ik plaats voor het diascherm waarop de ontwikkelaar en architect het voorlopige ontwerp en bepaalde technische details zouden gaan tonen. Ik had er zin in, want de andere ontwikkelingen in de stad zijn tot dusver veelbelovend en ik was benieuwd wat voor hoopvols er aan die lijst toegevoegd zou worden. Een fraai plan, zo bleek. Kwalitatief hoogwaardig, passend in de omgeving, met een mooi en proportioneel hoogteaccent. Helaas werd mijn aanvankelijke enthousiasme in de kiem gesmoord. Dat had niets te maken met de plannen, de uitwerking ervan of de presentatie, maar zuiver en alleen met mijn mede-toehoorders.

Het was Winston Churchill die naar verluid ooit gezegd heeft dat ‘het beste argument tegen de democratie een discussie van vijf minuten met de gemiddelde kiesgerechtigde’ zou zijn, en het spijt me bijna te zeggen dat ik tijdens deze avond een lelijke glimp heb gezien van wat Churchill hiermee probeerde te zeggen. De presentatie was amper begonnen of een handvol aanwezigen zette de hakken stevig in het zand. Niet beschikkend over het geduld om het volledige plan in al zijn facetten aan te horen, gooiden zij er meteen een paar amper doordachte en misplaatste bezwaren tegenaan. Men trok verregaande conclusies aan de hand van voorlopige impressies. Dat er in het plan geen groen meer te bekennen zou zijn (een conclusie die na drie minuten en één zwart-wit situatieschets werd getrokken) en hoe 500 meter lopen naar de supermarkt voor de beoogde doelgroep ‘veel te ver’ zou zijn. Waar de beloofde zes bomen uit een ander nieuwbouwproject bleven en waarom het stoepje tijdens de bouw tijdelijk niet bruikbaar zal zijn. Een meneer durfde het zelfs aan zich pijnlijk te verslikken in een simpele rekensom over de bouwhoogte, en weigerde vervolgens de terechte correctie van zijn fout. Een ander gaf tendentieuze maar, zo bleek meteen, foutieve informatie om haar onvrede kracht bij te zetten. Publieke schaamte werd door hen schijnbaar niet gevoeld, terwijl slechte dossier- en feitenkennis werd gemengd met goedkope retorica.

Ondertussen dreven de toch al amper ter zake doende argumenten steeds verder af van het onderhavige plan. Eén aanwezige vertelde de ontwikkelaar dat nieuwbouw ‘bouwen voor leegstand is’, alsof die overweging bij de ontwikkelaar nog nooit was opgekomen en het project eigenlijk een soort uit de hand gelopen hobby zou zijn. Een andere mevrouw stelde zich bij de bouwoverlast schijnbaar voor dat ze tien jaar lang elke dag hordes bouwvakkers uit haar woonkamer zou moeten verjagen. Alsof er tot 2050 non-stop onder haar keukenraam geheid zou worden, terwijl ze in feite hooguit drie weken een hei-installatie op ruim 100 meter van haar huis zou kunnen verwachten. Ook klaagde ze over de algemene betrouwbaarheid van elektronica en haar eigen lichamelijke gezondheid.

Het was duidelijk: men kwam met vooroordelen en was vastbesloten met precies die vooroordelen weer te vertrekken.

Afgelopen week bleek dat er een petitie tegen het plan is gestart. 117 handtekeningen zijn gezet om te voorkomen dat het ‘zicht op de dijk’ ontnomen wordt. Ik weet niet of u wel eens een dijk heeft gezien, maar veel saaier dan een met gras begroeide zeedijk wordt het niet. Als dat een valide argument zal blijken te zijn om verdere ontwikkeling te blokkeren, dan was de voorlichtingsavond bij nader inzien een gedegen en waardig debat.

Openbare observaties

De laatste weken zit ik met regelmaat in de plaatselijke bibliotheek. Dat is pure noodzaak: ik heb een masterscriptie te schrijven en kan de talloze afleidingen in mijn eigen huis maar moeilijk weerstaan. De openbare bieb is wat dat betreft ideaal. De kans dat je daar in je joggingbroek van ellende maar weer eens koffie gaat zetten of ineens bedenkt dat alle handdoeken opnieuw opgevouwen moeten worden, is verwaarloosbaar. Het mooie van de bibliotheek is niet alleen dat je er waarschijnlijk geconcentreerd aan je werk zult gaan, je kunt er bovendien ook nog van alles leren over de mensheid om je heen. En dat zonder ook maar een boek open te slaan. Hier is wat ik reeds leerde:

  • Als je lang genoeg in de buurt van de Bouquet-romans blijft hangen, zul je zien dat er vanzelf eens een ouder dametje door die reeks gaat staan zoeken en een paar boeken mee naar huis neemt. Dat stelde mij gerust: blijkbaar hebben ook oudere mensen nog gewoon zin in gore passie en consequentieloze seks, ook al vliegen de vonken en lichaamssappen dan alleen nog van het papier. Dat is alvast één zorg over het ouder worden minder. Ik stel me zo voor dat oudere stellen dat aan elkaar voorlezen voor het slapen gaan, waarna ze elkaar knuffelen en met een warme gloed gaan slapen. En ja, ik ben mij bewust van de bizarre paden die mijn voorstellingsvermogen inslaat.
  • Niezen in de bieb klinkt inderdaad een stuk luider dan in andere omgevingen. Mocht u dit lezen, mevrouw in het roze: gat-ver-damme! Hou op z’n minst die vette klauw voor dat fucking schransgat! Dank u. En dat geldt ook voor u, meneer die uw toehoorders dagelijks een paar keer per uur verblijdt met het diepe, slijmraspende geluid van uw gekuch. Ik zou er trouwens eens mee naar de dokter gaan.
  • De bibliotheek is schijnbaar tevens een hangplaats voor minder fortuinlijke mensen van middelbare leeftijd. Ik wist nooit dat je in de bieb halve liters bier mocht opentrekken en op je winterslippers mocht rondwandelen, maar na de afgelopen weken weet ik wel beter. Je mag er zelfs in een soort spontane praatgroep slap ouwehoeren over hoe het dan wel een kutjaar was, maar dat je wel onwijs hebt gelachen (‘hè, weet je nog, pik?’), of met wat voor drogredeneringen je je geloof in God staaft. Oja, en als enige hardop lachen om je eigen grappen is geen enkel probleem.
  • Opvallend veel mensen voeren telefoongesprekken in de bibliotheek. Vast omdat het daar ‘zo lekker rustig is’, maar dat is helaas een illusie, want:
  • Hoewel jijzelf van huis uit hebt meegekregen dat je in de bieb stil bent of het volume in elk geval zoveel mogelijk dempt, is dat duidelijk niet een les die iedereen heeft geleerd. In de bibliotheek merk je gauw genoeg dat het voor veel mensen echt teveel is gevraagd om even geen of weinig geluid te maken. Een handjevol mensen, zo viel mij op, geeft tevens hardop commentaar op artikelen in tijdschriften en kranten. Het vermoeden rijst dat mensen tegenwoordig blijkbaar naar de bieb gaan om eens lekker te praten (zelfs zonder gesprekspartner), net zoals velen tegenwoordig naar de bioscoop gaan om allerlei maar uitsluitend krakend voedsel te eten. Wie de logica hier begrijpt, die verzoek ik het mij uit te leggen.
  • Kinderen leren lezen is verstandig. Ik begrijp dus prima waarom ze meegenomen worden naar de bibliotheek. Het is mij alleen iets minder duidelijk waarom ze daar ook zouden mogen rennen.
  • De bieb heeft stamgasten. Dat was nieuw voor mij, maar nu ik er ook één ben, begrijp ik het eigenlijk wel. In die bibliotheek kun je ongegeneerd jezelf zijn; je hoeft nergens rekening mee te houden. Ik denk dat ik morgen m’n koffie en handdoeken maar meeneem.

 

Journaluistiek

Hoewel het gros van het nieuws dat dagelijks tot ons komt het gevolg is van matige journalistiek, stoorde ik mij in de voorbije dagen uitdrukkelijk aan twee voorbeelden van hoe journalistiek in elk geval niet moet. Ik heb niet de pretentie journalist te zijn of te weten wat lezers willen (het overtuigende bewijs daarvoor is dat ik voor Met Man en Muys schrijf), maar dat neemt nog niet weg dat zelfs ik soms in staat ben journalistieke gemakzucht te herkennen. En dat zegt iets.

In de lokale krant van de plaats waar ik woon, trof ik een stuk dat was geschreven naar aanleiding van de brandbrief die Wakker Dier aan staatssecretaris Dijksma had gestuurd. Daarin pleit de stichting tegen dierenleed voor wetgeving die het onverdoofd slachten van vissen moet tegengaan. Het was voor de lokale journalist reden genoeg om naar de plaatselijke haven te gaan en daar te vragen wat de vissers van dat voorstel vinden. Hun antwoord was voorspelbaar: “Ik denk niet dat vissen gevoel hebben. Ik heb nog nooit een schol van pijn horen schreeuwen als hij gestript wordt. Het is een onzinnig voorstel en ik denk dat het niks wordt.” Juist. Omdat een vis geen gemakkelijk herkenbare pijnsignalen afgeeft (daarbij bepaald niet geholpen door het feit dat een vis, bijvoorbeeld, geen stembanden heeft), rechtvaardigt dat de conclusie dat deze dieren geen gevoel hebben. En derhalve is onverdoofd slachten geen enkel moreel probleem.

Los van dat soort glibberige redeneringen: waar was de journalist nu eigenlijk op uit? Wat voor nieuwswaardige reactie had hij verwacht van de vissers? Het is namelijk in het belang van de visser dat we vissen toch vooral zien als lekkere en van de moraliteit los gezongen hapjes, in plaats van als de ontwikkelde dieren die ze zijn. De journalist had niet naar de haven gehoeven om te bedenken dat vissers het oneens zouden zijn met maatregelen die hen geld en reputatie kosten. Het enige, logisch voorspelbare antwoord dat de visserij had kunnen geven, is dat er niets mis is met hun praktijken; toegeven is jezelf onherroepelijk in de vingers snijden. Dus, wanneer verder ook een door feiten gestaafde discussie over het gevoelsleven van vissen uitblijft, wat is dan nog de nieuwswaarde van het stuk?

Een vergelijkbaar voorbeeld van ondermaatse journalistiek trof ik op een website voor autoliefhebbers. Want, ja: zo één ben ik er. In het filmpje dat ik op de pagina bekeek, werd een testrijder over een nieuw model ondervraagd. Eén van de vragen van de journalist was of de auto nog steeds evenveel rijplezier bood als het vorige model. De vraag werd gesteld met een glimlach op het gezicht; de journalist begreep zelf schijnbaar ook dat het een onzinnige vraag is om te stellen aan een testrijder, die nota bene meewerkte aan de ontwikkeling van de auto en bovendien betaald wordt door het bedrijf dat die auto wil verkopen. Dus natuurlijk was het antwoord ‘jazeker!’. Even voorspelbaar was de respons op de vraag of de auto nu sportiever of juist comfortabeler is geworden: allebei, uiteraard! Daarmee kregen we precies te horen wat we gegeven de situatie allang wisten. Geen onvertogen woord en louter positieve geluiden van iemand die een belang te beschermen heeft. Maar, nogmaals, wat is de nieuwswaarde hiervan?

Er is niks mis met vragen naar de bekende weg. Het kan geen kwaad zo nu en dan bevestigd te zien wat we al wisten. Maar beter is het om juist verrast te worden, om ongelijk te krijgen en het tegendeel te moeten verkennen. Zo informeren we ons en worden we wijzer. En dat, zo lijkt mij, is een uitgelezen taak voor de journalistiek.

 

De Met Man en Muys Survival Guide: how to solve the Griekse impasse?

Met de installatie van een nieuwe Griekse regering werd maar weer eens pijnlijk duidelijk waarom we de Met Man en Muys Survival Guide schrijven. Want zonder onze incidentele begeleiding maakt de wereld er geheel op eigen kracht een zooitje van. De nieuwe Griekse regering zet in op kwijtschelding van de -toegegeven- forse schuldenberg, maar de Europese Unie voelt daar maar weinig voor. Voor allebei de kanten valt wel iets te zeggen. De vraag is nu: hoe komen we hieruit? Daarom vandaag in de Met Man en Muys Survival Guide: how to solve the Griekse impasse?

  • Een goed begin is het tegen elkaar afstrepen van schuld. Voor elke euro die Griekenland geleend heeft, zetten we dan één euro schuld uit de rest van de Europese Unie, en die worden vervolgens allebei kwijtgescholden. Dat zou de redactie trouwens buitengewoon goed uitkomen, want wij hebben nog wat studieschulden waar we vanaf moeten. En enorme betalingsachterstanden bij Bacardi, voor die honderden Breezers die we op onze rekening hebben laten zetten. Mocht er hierna nog wat Griekse schuld overblijven, dan neem ik ook genoegen met een leuk autootje. Dus ja, dit lijkt me een mooi begin van de oplossing.
  • Als we dan toch bezig zijn: laten we op eenzelfde manier onze overige schulden wegwerken. We kunnen er vast uitkomen met de anderen die tegelijkertijd onze schuldeisers en onze schuldenaars zijn. Zeker met de VS kunnen we een leuk bedrag afrekenen. Ik voel trouwens ook wel wat voor een tweede huisje. Op een Grieks eiland, bijvoorbeeld. Hé, wacht.
  • Vrij van onze schulden kunnen we allemaal een hypotheekje afsluiten voor een mooie vakantievilla. Als we die collectief in Griekenland zoeken (of beter: laten bouwen), bloeit de Griekse economie binnen een paar maanden weer als een bos violen in een warme emmer stront. We doen er goed aan tegelijkertijd en massaal feta per kuub te kopen. En al die Griekse salades die je daarmee kunt maken zijn goed voor de gezondheid, dus dat scheelt ons op den duur miljoenen euro’s aan ziektekosten.
  • Zodra het geld in Griekenland weer begint te rollen, zullen ook zij een hypotheek kunnen nemen voor een tweede huis. Als die dan ook nog in de Europese Unie staat, zal de economie Uniebreed aantrekken. En voor je het weet zijn we weer terug bij die oude, vertrouwde situatie: iedereen een schuld, iedereen gelukkig.
  • Weg probleem. Tot uw dienst.

Poezen en dozen

De faculteit diergeneeskunde van de Universiteit van Utrecht is na onderzoek tot nieuwe conclusies gekomen: poezen die in een doos zitten, hebben minder stress dan poezen die die mogelijkheid niet hebben. Dierenartsen ontdekten dit tijdens een onderzoek waarbij katten enige tijd in een afgesloten kooi zaten. Ten opzichte van katten zonder schuilplaats waren de beestjes die beschikten over een doos minstens drie dagen eerder hersteld van de stress. Een mooi resultaat, dat meteen flink demystificerend werkt voor al die online filmpjes en foto’s van katten die compulsief in en door kartonnen dozen kruipen.

Het onderzoek deed mij denken aan een terloops experiment dat ik enige tijd geleden zelf deed. Mijn methode was ongeveer gelijk, maar mijn resultaten gelden als nuance op het verhaal van de Universiteit van Utrecht. Zo ontdekte ik dat katten zelfs ín de doos al een stuk rustiger neigen te worden. Het enige dat ze nodig hebben, is tijd. Met de kanttekening dat de poes na één dag kortstondig heel onrustig wordt (en ik de doos, in naam van het experiment, grondig dicht heb moeten tapen), ondervond ik dat het beestje daarna gaandeweg steeds kalmer werd. En, zo blijkt, hoe langer ze erin blijven zitten, hoe rustiger ze worden. Eén van de katten op mijn zolder, Schrödinger, is zelfs zo ontspannen dat ik ‘m al een half jaar geen eten en drinken meer heb hoeven geven. Hij stinkt wel een beetje, maar ik denk dat dat komt doordat hij zich niet meer wast. Daar is ‘ie waarschijnlijk te relaxt voor, en z’n doos bovendien te klein.

Wat het onderzoek uit Utrecht ook verzuimt te vermelden, is dat de katten alleen minder stress ervaren als je de doos niet zo af en toe flink schudt. Of er regelmatig knikkers tegenaan gooit. Dat lijken mij geen overbodige details. Bovendien vermoed ik dat mijn bevindingen voor meer diersoorten gelden. Dus ja, een prima onderzoek van de Universiteit van Utrecht, maar het had wel iets diepgravender gemogen.