Mijn ‘Zachte’ Wetenschap

Ik werk nauw samen met mensen die een exacte wetenschap bedrijven. Dat is vrij uniek, aangezien ik mij tijdens mijn studie slechts op de humaniora gericht heb en mij als gevolg daarvan normaliter niet in dezelfde kringen als natuur- en wiskundigen begeef. Ik geef huiswerkbegeleiding. Daarom. Met drie begeleiders van verschillende achtergronden help ik middelbare scholieren met hun leerstof. Onlangs meldde een collega, een jonge wiskundestudente, met een zelfgenoegzame grijns dat er iemand was die hulp nodig had bij zijn geschiedenishuiswerk. “Ik weet het allemaal niet. Ga jij hem eens even een verhaaltje vertellen”, voegde ze daaraan toe. Net daarvoor hadden we een discussie gevoerd over het nut van de geesteswetenschappen. Het was een schijndiscussie die abrupt eindigde met haar retorische vraag, “wie verdient er straks meer, denk je?” Ik was beledigd en behoorlijk boos, en vroeg mij af waarom deze opmerkingen mij zo raakte. Haar minachting raakte een gevoelige snaar. Ze verwoordde een geloof waarvan ik exacte wetenschappers al verdacht. Tot dat moment, echter, had nog niemand dit vermoedelijke sentiment zo eerlijk en rücksichtslos verwoord. Dit idee, dat de geesteswetenschappen ondergeschikt zijn aan de exacte wetenschappen, is volstrekt onzinnig.

Laat ik vooropstellen dat ik alle wetenschap prachtig vind. Ik heb diepe bewondering voor exacte wetenschappen als wiskunde en natuurkunde, die puzzelen en wetmatigheden zoeken; interessant, relevant, en bij vlagen zelfs schoon. Mijn kennis van wiskunde, natuurkunde, informatica en techniek is zeer beperkt en dat zie ik als een gemis en een beperking. Ik had graag een betere basiskennis gehad op het gebied van wiskunde en had ook graag op niveau meegedacht over de natuurwetten. Ik heb daar geen tijd in geïnvesteerd en wellicht ook niet het talent voor. Ik heb wel geïnvesteerd in de andere kant van de wetenschap, die doorgaans de ‘zachte’ wetenschap genoemd wordt.

Wij van de zachte wetenschap zijn inderdaad met verhaaltjes bezig en daarvoor schaam ik me niet in het minst. Fictie is overal en het is vreemd dat velen zich daar weinig bewust van lijken te zijn. Ieder mens leeft in een fictie. Hij bedenkt een verhaal voor zichzelf, over wie hij is en wat hij doet, en heeft daarbij ook een verhaal voor zijn wereld. Zo geeft hij betekenis aan zijn wereld. Zelfs wij, postmodernisten die niet meer in een groot verhaal geloven, vertellen onszelf en anderen verhaaltjes. Een vriend van mij zei ooit eens heel mooi: “Ons grote verhaal is dat er geen groot verhaal meer is.” Zo is de cirkel weer rond. Het is evident dat iedereen altijd alles interpreteert en het is goed ons daarvan bewust te zijn. Onze interpretaties moeten worden bestudeerd en bevraagd, omdat ze een groot onderdeel van ons dagelijks leven vormen.

De historicus die een middeleeuws klooster in West-Friesland bestudeert en daar een heel jaar aan kwijt is, doet geen nutteloos werk. Zijn onderzoek is misschien niet direct toepasbaar in de maatschappij, maar draagt wel bij de vorming van het verhaal van onze cultuur. Het heeft misschien niet onmiddellijk een duidelijke functie, maar het is een van de puzzelstukjes. Net als natuurkundigen, houdt deze historicus zich bezig met vragen die niet dringend beantwoord hoeven te worden, maar wel bijdragen aan beter begrip van onze wereld. In het geval van de historicus is dat de geestelijke wereld en in het geval van de natuurkundige de fysieke.

Over de wat er om ons heen gebeurt hebben we vrijwel altijd een mening en die wordt vaak gevoelsmatig gevormd. Werken met slechts een gevoel is gevaarlijk en onbetrouwbaar, zo zullen ook de exacte wetenschappers erkennen. Als kinderen van de verlichting gebruiken wij de rede! Bij Ruslands inval in de Oekraïne, de aanslag op Charlie Hebdo, de oorlog in Syrië, is een goed en cultureel gevoelig standpunt onmisbaar. Zeker op politiek niveau is het uitermate belangrijk dat het verhaaltje bekend is. Een wetenschappelijke benadering van taal, geschiedenis en cultuur is van levensbelang in de diplomatie. Niet voor niets zijn er zo veel historici te vinden op ambassades en in het parlement.

Tot slot, is de wetenschap rondom de letteren relevant om de zeer eenvoudige reden dat wij taal gebruiken voor onze communicatie, een gegeven waarop onze gehele menselijkheid gegrondvest is. Dit lijkt misschien een flauw argument, maar is het niet. Taal is een machtig middel dat vaak gebruikt is om hele volken op te ruien en te bewegen. Ons dagelijkse leesvoer is ontzettend gekleurd. De schrijvers van onze kranten proberen ons iets duidelijk te maken, politici pogen ons te bespelen met hun taalgebruik en advertenties bewegen ons zonder dat wij ons daarvan bewust zijn. Onze maatschappij heeft deskundigen nodig, kritische lezers en luisteraars, die ons kunnen erop kunnen wijzen dat we bespeeld worden, wanneer zich weer eens een zeer slinkse drogredenering voordoet. We hebben historici nodig, die de cultuur dusdanig doorgronden dat zij sentimenten kunnen relativeren, en ons kunnen waarschuwen voor onze zwakheden.

Jasliteratuur

Vandaag zat ik naast een man met een enorme jas. Op zijn schouder stond een logootje met daarop: rescue 24/7 en daaronder resQ Seismological Centre Polar Division. Onderin op zijn mouw was een plaatje van een sneeuwscooter geplakt, met daarbij het signalement Arctic Babe. Nu zijn er twee dingen mogelijk. Enerzijds zou de tekstschrijver van deze jas een onbegrepen en gepijnigde poëet kunnen zijn. Eentje die na een aantal geflopte dichtbundels als freelancer is gaan schrijven voor willekeurige kledingmerken. In dat geval zouden we een diepere betekenis aan de tekst moeten kunnen onttrekken. Er is dan vermoedelijk sprake van een verloren liefde en een gebroken hart. Vandaar ook de kou, de koudste kou, de arctische kou. Bovendien beeft de aarde, het fundament is rot en hij staat op instorten (het seismologische centrum). Het heroveren van de ijskoningin, de arctic babe houdt de verteller 24 uur per dag bezig, en dat dan weer zeven dagen in de week.

Waarschijnlijker is het, echter, dat de teksten op kledingstukken een verzameling onsamenhangend gelul zijn.

Bultrug

Misschien heeft u het gevolgd, misschien niet. Op de zandplaat Razende Bol c.q. Noorderhaaks ligt een bultrug. Dat is geen duinsoort, ook geen geologisch interessante ophoping van aardlagen, noch is het een oud en krom mensfiguur. Nee, een bultrug is een walvis. Een mooi beest om te zien, zeker, maar normaal gesproken hoort ‘ie in het water. En niet op een lullig zandbankje in de Noordzee.

Dat vonden meer mensen, en daarom zijn er enkele grootscheepse pogingen ondernomen om de bultrug weer het water in te krijgen. Men heeft met boten getrokken, geulen gegraven en met helikopters gevlogen, maar niets mocht baten. De bultrug ligt er nog steeds en zal vermoedelijk op dat strand op de Razende Bol sterven. Zelfs het sterven schijnt nog lastig en problematisch te zijn, want het beestje is in een goede conditie en zal vermoedelijk vrij lang moeten wachten totdat zijn organen het begeven onder het gewicht van zijn eigen lichaam. Een ‘humane’ oplossing, de walvis opblazen met een paar staven dynamiet, schijnt eveneens niet mogelijk te zijn. En dus is het nu wachten tot de bultrug uit zichzelf de geest geeft. Althans, dat is wat de betrokken organisaties hebben laten weten.

Wat een ellende. Maar niet getreurd: het was allemaal maar een grapje. Wij van Met Man en Muys hebben de bultrug daar een paar dagen geleden expres neergelegd. We dachten dat het wel geinig zou zijn, maar hadden ons nooit gerealiseerd dat mensen zich er zo serieus mee bezig zouden houden. Nu blijkt dat de gezondheid van de walvis gevaar loopt, hebben we besloten dat we het dier straks maar terug in het water zullen leggen. Claudio is de roeiboot al aan het opblazen. Het is zonde van een goede reclamestunt (eigenlijk opmerkelijk dat niemand die tatoeage met ons webadres op die walvis heeft gezien), maar we willen uiteraard het beste voor de bultrug.

Ficties in opdracht: Weerwoord

Ficties in Opdracht is een rubriek waarbij de ene schrijver schrijft in opdracht van de ander. Ieder kort verhaal wordt geschreven vanuit een opdracht die van tevoren is vastgesteld door een bijzonder onvakkundige commissie. Op moment van schrijven luidt die opdracht als volgt: Schrijf een vervolgverhaal over Martijn, een mislukte weerman met grootheidswaan; elk verhaal moet aansluiten op het vorige deel. Heeft u zelf een heel leuk, grappig, moeilijk of gewoon heel stom idee? Stuur uw suggestie voor een fictieopdracht naar redctie@manenmuys.nl.

Martijn vloekte luid. Ik zou graag vertellen wat hij precies riep tegen zijn televisietoestel, maar dat de petunia’s in zijn vensterbank het moesten horen, vind ik al erg genoeg. Martijn’s vrouw Lydia zat op de bank en liet de haar man uitrazen; ze was al lang geleden gestopt met te geven om wat de buren wel of niet konden horen. Toen Martijn zijn glas bubbeltjeswijn tegen de muur smeet stond ze op, en liep ze naar de keuken om thee te zetten. Vanuit de kamer hoorde ze haar man nog een minuut of tien roepen naar niemand, hijgend op de bank ploffen om daarna nog een paar minuten binnensmonds na te vloeken, voordat ze het verstandig achtte naar binnen te gaan met een pot thee en een schaal koekjes. In de kamer trof ze Martijn in foetus houding aan op de bank. De mini-tompoucen, voor de gelegenheid gehaald, zaten tegen de muur gekleefd, de schaal in diggelen eronder. “Zo erg is het toch niet?” Zei Lydia, “dit verandert toch niets?” Martijn keek op. Hij ging staan en liep tergend langzaam naar Lydia toe, tot hij met zijn neus bijna tegen die van Lydia aanstond. “Jij begrijpt er niets van,” beet hij haar toe en sloeg het dienblad met de thee en koekjes uit haar handen. Even bleef Lydia daar zo staan, lege handen nog geheven naast zich, gezicht slechts millimeters verwijderd van dat van Martijn. Toen draaide ze zich om, pakte haar jas en liep de deur uit. Vanuit de auto belde ze met haar moeder. Martijn heeft sindsdien alleen nog via een advocaat contact met haar gehad.

Zodra Lydia weg was belde Martijn Vicky, zijn Public Image Manager. Ze nam op met “Tough shit, Martijn, heel tough shit.
“Je zei dat dit zou werken,” snauwde Martijn haar toe.
“Martijn, lieverd, ik kon toch ook niet weten dat Texel onder zou lopen? Shit happens, lieverd, shit indeed. Bovendien; als iemand dit aan had kunnen zien komen, dan was jij het wel. Je bent verdomme weerman!”
“Ja, nou, niet dus.”
“Het NOS-weer had iedereen op de waddeneilanden nog geadviseerd om daar weg te gaan. Grootste storm in tweehonderd jaar, zeiden ze. Hoe noemde je dat ook alweer; sensatiegeile prietpraat? Op de televisie nog wel. Je maakt mijn baan wel erg lastig.”
“Ach, laat het. Het is toch niet alsof er ooit iemand kijkt naar die provinciale, kleine stinkzender.  Ik had dit nodig, verdomme!”
“DWDD is ook niet the top of the world, lieverd, er komen andere kansen.”
“Ach, stik er toch in.”

De Wereld Draait Door is wel the top of the world. Dat had Vicky zelf gezegd. Martijn was nu weerman bij een kleine, lokale omroep in Gelderland, maar wilde meer. Het amateurisme van zijn collega’s, de lage kijkcijfers, de alles overheersende kneuterigheid van zijn werkplaats werkte verlammend. Hij wilde er weg, maar moest zich in de kijker spelen bij de grote bazen van echte omroepen. Vicky zei dat als hij zijn gezicht op DWDD kreeg, hij de banen per dozijn aangeboden zou krijgen.

Dit was al het derde plan van Vicky om Martijn in De Tv Draait Door te krijgen, de grappig-clipjes-rubriek van De Wereld Draait Door. Eerder al heeft hij in een live uitzending toespelingen gemaakt op de kleine piemel van de nieuwslezer van de lokale omroep waar hij werkt, en heeft hij opgenomen gesprekken uit laten lekken waarin hij de gast van de desbetreffende nieuwsuitzending ‘een bekrompen mens’ noemt. Toen heeft hij de uiteindelijke uitzending niet gehaald, maar deze keer moest het lukken, had Vicky gezegd. Hij was een live reportage op locatie aan het afronden, met de werknemers van de dorpsbakkerij om hem heen verzameld. Bij wijze van grap gaf Martijn een tik op de billen van de meid die naast hem stond. Haar vriendje, de bakker die twee mensen aan de andere kant stond, kon het niet waarderen en drukte een doos met soesjes, die de jongen toevallig in zijn hand had, in Martijns gezicht. De room liep over zijn kin toen Martijn zijn vaste slotzin zei; fijne avond, Gelderland, dit was het weer weer.

Hilarisch. Helemaal in scène gezet natuurlijk; het meisje was het nichtje van een vriend van Vicky, of een vriendin van een nicht van Vicky, maar evengoed hilarisch. Vicky wist zeker dat Martijn die avond te zien zou zijn in De Wereld Draait Door; ze had het gehoord van kennissen op de redactie. Juist die avond sloeg de storm toe. Martijn had hem niet aan zien komen, de NOS wel, maar dat waren aanstellers en die zaten er wel vaker naast. De kust was overstroomd, dijken waren doorgebroken, de wind veroorzaakte miljoenen aan schade en daarbovenop was bijna heel Texel onder water verdwenen. Het weer overheerste die avond de televisie, en dat was het ergste van alles. Met zo’n landelijke ramp leek het de redactie niet gepast een lichtvoetige clipjesrubriek uit te zenden, en Martijns fragment werd weer niet uitgezonden. Dat hij dan zo reageert is alleen maar logisch. Iedereen zou pissig worden als moeder natuur zelf zich zo overduidelijk tegen je persoonlijke geluk keert.

De telefoon gaat. Het is André, de baas van de omroep. Martijn twijfelt of hij op zal nemen; André was niet bepaald te spreken over zijn acties de laatste tijd. Dat maakte niet zoveel uit. Wanneer Martijn bij RTL of SBS het weer doet, hoeft hij nooit meer naar Andrés nasale stem te luisteren, of zijn besnorde, gehavende, bebrilde gezicht te zien. Met het DWDD-fiasco kan hij zich echter geen ontslag riskeren, en Martijn heeft wel wat goed te maken. Hij zucht diep, wrijft over zijn ogen en neemt op. “Heb je een goede regenjas, Martijn?” Klinkt het vanaf de andere kant van de lijn, “ik hoop het voor je, want je zal hem nodig hebben. Je gaat verslag doen van Texel.”

Aandelen

De redactie zit met een probleem. 20 jaar geleden zijn wij op aanraden van onze toenmalige financiële man Fred unaniem in de Apple-aandelen gestapt, in de hoop dat wij met de winsten uit die aandelen onze wildste dromen zouden kunnen waarmaken. Denk aan een levenslange zeilcruise door de Cariben, een tweede huis in de Outback, onze eigen uitgeverij beginnen om al die steeds afgewezen manuscripten eindelijk uit te geven, onbeperkt kibbeling eten op de markt of een privé-concert van Dries Roelvink. U begrijpt: in onze dromen groeide onze geldboom tot in de hemel. Maar vandaag werden wij geconfronteerd met het eerste stukje harde realiteit in ruim twee decennia: zelfs Apple-aandelen groeien niet onbeperkt. De waarde blijkt zelfs tot onder de 600 euro gedaald te zijn. En daar hadden we niet helemaal op gerekend.

Zoals gezegd: we hebben nu een probleem. Want terwijl we rustig afwachtten totdat we onze stukjes Apple tegen monsterwinsten konden verkopen, hebben we wel alvast een klein voorschotje op al die reizen, privéconcerten en gebakken vis genomen. Daardoor zitten we nu met een paar pallets van Claudio’s nieuw te verschijnen “Koken met Claudio”, de ontginningsrechten voor een nieuwe polder in de Noordzee en een vrij forse schuld. Nu kijken wij niet op een paar nullen (we kijken daar trouwens nooit iemand op aan), maar zodra het drie paar nullen worden, wordt onze nieuwe financiële man Hans een beetje zenuwachtig. En omdat hij het al aan zijn hart en andere spieren heeft, hebben we besloten hem te gaan helpen.

Bij deze verzoeken wij als redactie u dus met klem om bij Hans’ gezondheid stil te staan en gul te geven. Bak koekjes, organiseer een sponsorloop, doneer liters bloed of andere lichaamssappen, verkoop postzegelverzamelingen: alles om geld bij elkaar te krijgen voor Hans. Want zodra onze schuld afbetaald is, is Hans gered. Alvast bedankt.

Ficties in Opdracht: Gijs

Ficties in Opdracht is een rubriek waarbij de ene schrijver schrijft in opdracht van de ander. Ieder kort verhaal wordt geschreven vanuit een opdracht die van tevoren is vastgesteld door een bijzonder onvakkundige commissie. Op moment van schrijven luidt die opdracht als volgt: Schrijf een fabel over stadsdieren. Heeft u zelf een heel leuk, grappig, moeilijk of gewoon heel stom idee? Stuur uw suggestie voor een fictieopdracht naar redactie@manenmuys.nl.

‘Onvoorstelbaar’, denkt Gijs bij zichzelf. Voor hem is zojuist een mus naar beneden gedoken, tot vlak boven de stoep, en heeft meteen daarna de klim naar boven weer ingezet. Hoewel het in een paar tellen voorbij is, lijkt de exercitie minutenlang te duren. De mus laat een prachtige, felgekleurde streep in de lucht achter. Aandachtig bekijkt Gijs de omgekeerde parabool die het musje voor zijn ogen getekend heeft. ‘Wauw’, brengt Gijs nog altijd in verwondering uit. Hij kijkt of hij de mus nog ergens ziet, maar de vogel is nergens meer te bekennen. Wel ziet Gijs heel veel andere vogels tegen het lichtroze uitspansel boven hem. Vrijelijk scheren ze door de open ruimte, kriskras door elkaar, chaotisch als een Limburgs dorpsfeest. Maar tegelijkertijd vormen de vliegbewegingen een voorzichtig patroon. Het lijkt wel een grote klomp cellen, die langzaam de hele hemel begint te vullen. Hoe langer Gijs ernaar kijkt, hoe meer het zwerk op een langzaam kloppend hart begint te lijken. Het kalmeert Gijs. De ritmische samentrekkingen van het al boven hem maken een zacht suizend geluid. Af en toe hoort Gijs een meeuw door de suizing heen echoën. Het kloppende hart lijkt bezaaid met kleine diamantjes, die prachtig schitteren in de avondzon. Langzaam komen de lichtjes naar beneden. Gijs volgt de schitteringen en ziet hoe ze op hem neerdalen. Wanneer ze zijn kale hoofd raken, voelt Gijs een zachte, aangename tinteling. Het is alsof de lichtjes zijn hoofd zachtjes aaien. Terwijl Gijs door zijn pootjes zakt en op zijn buik komt te liggen, beginnen nu ook de lichtjes geluid te maken. Wanneer dit samen met het sferische suizen van het nog altijd pulserende hart boven hem tot een prachtige harmonie wordt, laat Gijs zijn hoofdje tenslotte ook zakken. De muziek doortrekt zijn hele lichaam, zelfs zijn anders zo ondoordringbare schild. Vlak voordat Gijs zijn ogen sluit, denkt hij: “Dit is toch geen superkorte, moderne fabel hè? Over een schildpad in de stad. Zou dat kunnen? Maar wat is dan de clue, de les? Iets met oppassen van wie je je drugs koopt omdat het je einde kan betekenen? Je einde? Als in doodgaan? Wacht eens even… O shit.”

Fictie in opdracht: Donut

Ficties in Opdracht is een rubriek waarbij de ene schrijver schrijft in opdracht van de ander. Ieder kort verhaal wordt geschreven vanuit een opdracht die van tevoren is vastgesteld door een bijzonder onvakkundige commissie. Op moment van schrijven luidt die opdracht als volgt: Schrijf een fabel over stadsdieren. Heeft u zelf een heel leuk, grappig, moeilijk of gewoon heel stom idee? Stuur uw suggestie voor een fictieopdracht naar redactie@manenmuys.nl.

“Heb je geen kleinere stukjes?”
“Wil je dat ik…?”
“Je bedoelt…”
“Ja met mijn snavel. Ik heb ook geen mes en vork zoals je ziet.”
“Nou, nee dat ook niet.”
“Nou.”
“Doe maar dan.”
Mus betaalde duif met vier stevige takken voor haar nest en ontving de donut in zijn geheel. Hij rende een paar rondjes, sprong in het karakteristieke gat en pikte wat  in het kleffe deeg.
“Waar is meneer duif eigenlijk?”
“…”
“gevlogen zeker.” Mus gaf duif een knipoog en lachte.
“Hij is dood.”
“…”
“Toen de brug weer naar beneden kwam is hij te laat weggevlogen. Of eigenlijk niet weggevlogen. Hij zat tussen de brug en de weg.”
“typisch Rudy”
“…”
Mus liep nog een rondje om zijn donut. De felle zon deed het vettige gevaarte glanzen als een vers visje. De donut was zeker twee keer zo groot als hij. Mus hield van donuts, maar had nog nooit zo’n grote aangeschaft, door de logistieke problemen die dat opleverde. Mus had nog geen concreet plan. Hij had nu zeven rondjes gelopen, was wat heen en weer gesprongen en had gefladderd. Hij moest nu snel iets bedenken. De meeuwen konden elk moment verschijnen. Je wist het nooit met meeuwen. Soms lieten ze zich dagen niet zien en soms kwamen ze met honderden tegelijk voor een beetje eten.

Hij besloot alvast een hap te nemen. De geur van de zoete gefrituurde deegbal was onweerstaanbaar en bovendien bevordert kauwen het denkproces. Een tweede hap volgde. Mus had ook niet zo uitgebreid ontbeten en voelde zich zwakjes. Dat kon hij niet gebruiken als de meeuwen kwamen. Hij nam nog een hap, terwijl hij zich bedacht dat hij zou vechten als een vent. Binnen vijf minuten had hij de donut voor de helft opgegeten en kwam tot de ontdekking dat het ding een stuk lichter was geworden. Als hij nu nog een paar happen zou nemen, moest het hem lukken de donut naar zijn schuilplaats te verslepen. Mus at door en liet hele stukken deeg zonder te kauwen door zijn keel naar binnen glijden.

Hij nam het laatste stuk in zijn snavel en probeerde ermee op te stijgen. Mus fladderde met alle kracht die hij in zijn vleugels had, maar hij steeg niet op. Duif had alles gezien en schaterlachte.
“Je hebt te veel gegeten!”
“Je moet je mond houden. Jij bent ook de dunste niet,” beet mus duif met een rood hoofd van de inspanning toe.
“Ik kan nog vliegen.”
Duif fladderde lichtjes en steeg zonder moeite op.
“Stom wijf!” riep mus haar nog na. Ze hoorde hem niet meer en vloog lachend weg met de vier takken in haar snavel.

Het lukte mus niet zijn zware lijf te verheffen toen de meeuwen verschenen en zich met honderden tegelijk op hem storten. Na de overval van deze doodse zeebonken bleef er enkel nog een veertje liggen op het slagveld. Van de donut geen kruimel.

 

Word fit met Met Man en Muys

Thomas is sinds enkele weken in therapie voor extreme agorafobie en mensenschuwheid. Als onderdeel van zijn behandeling, en deels als mislukte 1-aprilgrap, hebben Joop en Claudio hem meegenomen naar een terrasje om daar zijn angst voor zijn medemens te overwinnen. Dat ze op die terrasjes nou ook bier blijken te schenken is uiteraard geheel toeval. Tijdens het intensieve genezingsproces deed de redactie echter twee schokkende ontdekkingen; Thomas heeft zijn vader nooit vergeven voor het weggooien van zijn knuffelbeer, en u, als Nederlander, bent dik.

Daar het een van de eerste mooie dagen van het jaar was, had heel Nederland zich weer in de korte broeken, poloshirts, hemdjes, en rokjes gehesen, die toch allemaal wat kleiner waren geworden in de winter. Overal waar de redactie keek was vlees. Vettig, klotsend, spekkig, meedeinend, uitdijend, zwetend vlees.

Omdat wij nu eenmaal de grote culturele, spirituele, en sociale roergangers zijn van het Nederlands volk, voelen wij ons toch een beetje verantwoordelijk voor jullie beschamende vergroting. Daarom hebben wij besloten ons over onze aanvankelijke walging heen te zetten en ons in te zetten om Nederland weer fit te krijgen. Wij hebben gesprekken gehad met fitnesscoaches, bewegingsleer professoren, gezondheidsgoeroes en onze buurman. Wij hebben onderzoek gedaan en onszelf aan onze eigen methodes onderworpen. Aan de hand daarvan hebben wij een plan opgesteld dat gegarandeerd niet kan mislukken.

Hoewel het proces te ingewikkeld is om hier in zijn geheel te beschrijven, komt het op het volgende neer. Het is gebaseerd op het idee dat je wel drie keer in de week naar de sportschool kunt gaan, maar dat dat dan evengoed nog maar drie keer in de week is. Nee, wij zijn op zoek naar een intensievere methode. Wij willen een manier waarop je altijd bezig kunt zijn met fit worden. Een manier waarop het leven zelf een sportexercitie wordt. Wij keken nog eens om ons heen naar al onze zwaarlijvige medemensen, en kregen een idee.

Volgens het MMEM fitnessregime moet je eerst massa cultiveren. Dik worden dus. Tot de 150 kilo, misschien wel 200. Nu voel ik u denken; ‘maar Claudio, dan ben je toch compleet verkeerd bezig. Dat werkt toch alleen maar averechts.’ Dan zeg ik tegen u; ‘stil maar, niet zo denken, doe waar u goed in bent.’ Stelt u zich eens voor dat u de hele dag 150 kilo mee moet torsen. Dat u de trap op moet met 150 pakken suiker op uw rug. Dat u naar een vertrekkende trein moet rennen met 300 pakjes boter in uw armen. Dan ga je spieren kweken! Als u eenmaal die spieren gekweekt hebt, hoeft u alleen nog maar af te vallen!

Het grote gevaar met deze manier van trainen is echter dat je snel ongezond gaat eten. Let er dus altijd op dat u gevarieerde voeding binnen krijgt. Ontbijt u bij de McDonalds? Ga dan lunchen bij de Burgerking en boek een gezellig diner voor twee bij de KFC.

Hebben wij u geënthousiasmeerd en wilt u ook aan de slag om fit te worden met Met Man en Muys? Dan kunt u nu de dvd bestellen door langs te komen bij onze loods en er om te vragen. Onze bel is kapot, dus waarschijnlijk moet u wel schreeuwen, voor wij aan de deur komen.

Ficties in Opdracht: Egel jaagt zijn dromen na.

Ficties in Opdracht is een rubriek waarbij de ene schrijver schrijft in opdracht van de ander. Ieder kort verhaal wordt geschreven vanuit een opdracht die van tevoren is vastgesteld door een bijzonder onvakkundige commissie. Op moment van schrijven luidt die opdracht als volgt: Schrijf een fabel over stadsdieren. Heeft u zelf een heel leuk, grappig, moeilijk of gewoon heel stom idee? Stuur uw suggestie voor een fictieopdracht naar redactie@manenmuys.nl.

‘Ik hoor hier niet,’ zegt Egel.
‘Onzin,’ zegt duif, ‘ik heb je hier graag, blijf zolang je wilt. Bovendien kun je het zo goed vinden met Duyf en Duiph.’
Je moest eens weten, dacht Egel. Hij had een grondige hekel aan Duyf en Duiph, de zonen van Duif. Egel had een hekel aan de manier waarop ze elk gesprek naar zichzelf toe trokken. Hij had een hekel aan de manier waarop Duyf altijd pissig werd als je hem Duif of Duijf noemde. Hij had een hekel aan Duiph, waar je geen gesprek mee kan voeren dat niet om hem draait. Egel had vooral een hekel aan hun namen. Duyf, Duiph, wat is er mis met de oude, bekende, Nederlandse namen als Duif, Houtduif of Tortelduif? Maar daar konden de jonge vogels natuurlijk niks aan doen.
‘Daar gaat het niet om,’ zegt Egel, ‘ik hóór hier niet. Een Egel is niet gemaakt om in een nest op een wolkenkrabber te leven. Wij egels hebben vers gras nodig, aarde om in te wroeten, plassen om uit te drinken en in te zwemmen.’
‘Ja, nou als dat echt is hoe jij je voelt, moet je vooral gaan. Ik vind het jammer, maar ik ga je niet tegen houden.’ Zei de vogel. ‘Wat ga je dan doen? Waar ga je naartoe? Je spreekt over gras, aarde en water, maar heb je dat ooit wel eens gezien? Weet je waar je naartoe moet?’
‘Nee, jij weet net zo goed als ik dat ik dat ik geen idee heb hoe ik zo’n plek kan vinden. Maar ik heb erover gedroomd, Duif! Mijn dromen zijn gevuld met modder, boomwortels, en wormen. Wormen, Duif, overal wormen! Meer wormen dan een egel in zijn hele leven op kan. Ik ben die restjes die jij me komt brengen zat! Ik heb wormen nodig. Hier zal ik niet gelukkig worden, ik moet naar beneden, op zoek naar gras, bomen en wormen!’
‘Het lijkt erop dat ik je niet op andere gedachten kan brengen. Ik zal je missen, Egel. Ik kan je naar beneden brengen, maar verder zal je het zelf moeten doen.’

Egel heeft ooit wel eens op de grond gewoond, denkt hij, maar daar weet hij niets meer van. In zijn eerste herinneringen bevind hij zich in een kleine kooi. Hij kan een paar stappen voor- en achteruit doen, maar heeft niets om te snuffelen, of te bijten, of te graven. Dit waren lange, lamlendige dagen.
Tot op een dag Egel weer eens uit verveling op de plastic tralies aan het knabbelen was en die opeens meegaven. Er was een gat in zijn kooi waar egel zich net doorheen kan wurmen. Even stond Egel verbaasd om zich heen te kijken. Na maanden van eenzame opsluiting was deze vrijheid teveel om in één keer te verwerken. Al snel vond zijn neus echter een geur die Egel weer de realiteit in sleurde. Frisse buitenlucht!
Buiten het openstaande raam was een richel, met daarachter een hele hoop niets. Voorzichtig zette Egel zijn eerste vrije stappen op de richel en begon hij te rennen. Hij rende weg van zijn gevang en zijn vrijheid tegemoet.
Een gevoel van euforie maakte zich meester van Egel. Hij voelde voor het eerst iets dat op blijdschap leek. Al rennend begon Egel te lachen. Hij schaterde het uit, tot dat hij niet meer kon rennen en zich tot lopen moest beperken. Toen de lachstoten zo heftig werden dat Egel zelfs dat niet meer kon, liet hij zich vallen. Hij rolde over de grond van het lachen. Hij rolde naar links, en vervolgens naar rechts. Links, rechts en nog eens rechts. Toen voelde Egel plotseling de grond onder zich verdwijnen. Nog net kon Egel zich vastklemmen aan de richel. Hij hing nu aan twee pootjes, met onder zich een hele hoop niets. ‘Hallo, wat ben jij een vreemde vogel. Wie ben jij?’ Dat was Duif.
Sinds die ontmoeting woonde Egel bij Duif. Hij sliep in het nest en at wat de vogel voor hem meenam. De eerste dagen waren de gelukkigste uit Egels leven. Al snel kwam Egel er echter achter dat hij niet zijn vrijheid had gevonden, maar slechts de volgende gevangenis. Hij had een richel om over te wandelen, maar durfde dat eigenlijk niet goed meer, waardoor hij het grootste gedeelte van de tijd gewoon in Duif’s nest bleef. Langzaam verdween de gelukzaligheid en kwam daar rusteloosheid voor in de plaats.

Eenmaal beneden nam Egel afscheid van Duif en vertrok. Hij liep de zon tegemoet. Dat leek hem een mooie beeldspraak. Hij liet zijn misère achter zich en zette koers naar betere tijden.
Er waren veel mensen waar Egel liep. Hij moest oppassen, want mensen kijken niet uit waar ze lopen. Als Egel niet langs de muur schuifelde zou hij zeker onder de voet gelopen worden. Dit was duidelijk vijandig terrein, hij moest zo snel mogelijk daar weg. Egel begon te rennen. Hij rende zijn longen uit zijn lijf. Toen hij op volle snelheid een bocht wilde nemen ging Egel onderuit.
Er klonk een bulderende lach. ‘Ho, maar kleintje. Rustig aan, waar is de brand?’
‘Brand? Is er brand?’ riep Egel in paniek. Hij wilde weg rennen, maar een grote harige poot hield hem tegen.
Weer die bulderlach. ‘Nee hoor, kalm maar, dat is maar een gezegde. Komaan, zet je bij me neer. Ik ben Hond, wie ben jij?’
‘Ik ben Egel, mijnheer, en ik ben mijn dromen aan het najagen. Ik ben op zoek naar bomen, gras, aarde en wormen. Weet u daar iets van?’
‘Dat klinkt alsof je op zoek bent naar Bos. Dit hier is Stad, maar ik kwam vroeger wel veel in Bos.’
‘Dat is fantastisch!’ roept Egel uit. ‘Hoe kom ik bij Bos, kunt u mij dat vertellen, meneer Hond?’
‘Ach wist ik het maar,’ zei Hond, ‘ik ben er al jaren niet meer geweest. Vroeger namen mijn mensen me vaak mee. Dan gingen we met de auto heen en weer. In Bos mag je helemaal los lopen zonder riem, en mag je achter konijnen aan en met stokken spelen. Nu kan ik natuurlijk altijd vrij los lopen, ik heb mijn mensen al jaren niet meer gezien, maar tegenwoordig lijkt dat half zo leuk niet meer. Verveel ik je met mijn verhalen? Hoor mij toch eens ratelen! Weet je wat? Ik help je met zoeken. Kom, we gaan naar Bos!’
Egel begreep niet alles was Hond had gezegd, maar Bos klonk als een aangename plek om te zijn. Daarnaast vond hij het fijn om gezelschap te hebben en leek Hond hem een prettige gesprekspartner. Hond liet Egel op hem rijden als een mens een paard. ‘Nu gaan we sneller,’ zei hij. Zo gingen zij op pad. Egel op de rug van Hond.

‘Wanneer gaan we rust nemen?’ vraagt Egel. ‘We lopen al de hele dag. Ik ben moe en ik heb honger. Heeft u misschien wormen gezien?’
‘Stil maar, kleintje. We zometeen zullen we rusten. Zie je die vuilnisbak daar? Daar gaan we links. Ik heb daar een schuilplaats, met een mooie doos, om ons te beschermen tegen de regen. We kunnen ons wassen, en slapen, en wellicht vinden we wel wat te eten.’
Enthousiast sprong Egel van Hond’s schouders en begon richting de prullenbak te rennen. ‘Rustig aan,’ riep Hond nog terwijl hij ook zijn pas versnelde. Eenmaal bij de prullenbak aangekomen keek Egel naar links. ‘Weet u zeker dat het hier is?’ Egel keek een donkere steeg in. Er lag afval op de grond, en het stonk er naar mensenplas. Uit regenpijpen druppelde water in een poeltje bruine smurrie. Dit leek Egel geenszins een fijne rustplaats.
‘Natuurlijk weet ik het zeker, kleintje, ga maar naar binnen.’ Egel voelde zich toch niet geheel op zijn gemak, terwijl hij een paar voorzichtige stapjes naar voren zetten. Hond bleef wachten aan de ingang van de steeg. ‘Toe maar, nog een paar stapjes. Er gebeurt je heus niets. Kom aan.’
Achter in de steeg hoorde Egel wat. Hij blijft stil staan, maar kan uit de duisternis voor zich niets ontwaren. Plots hoort hij achter zich een plof. Achter hem staat een vreemde hond, naast Hond. “Hmmmm, goed gedaan Hond,’ zegt de vreemdeling, ‘hier moeten we toch weer een paar dagen op kunnen teren.’

‘Wat? Hond, wat is er aan de hand?’ Vraagt Egel.

‘Tsja, wat kan ik zeggen, Stad is een harde plek,’ zegt de likkebaardende Hond, ‘het is eten of gegeten worden.’ Met vier poten tegelijk springt Hond naar voren. Nog net weet Egel weg te duiken. Maar daar is de vreemdeling alweer. Een grote harige poot raakt Egel vol op zijn rug. De vreemdeling slaakt een kreet, omdat er twee van Egel’s stekels in zijn poot zijn blijven steken. Achter Egel klinkt een grom; Hond komt aangestormd. Egel begint te rennen als nooit tevoren, met Hond vlak op zijn hielen. Hij gaat links. Hond gromt woedend. Hij gaat weer links, en daarna rechts. Wanneer Egel een blik over zijn schouder werpt ziet hij Hond stil zitten. Egel stopt verbaasd. Naast Hond komt de vreemdeling aangelopen. Ook hij gaat rustig zitten. Hond grijnst en zegt zacht ‘kijk uit.’ Egel begrijpt het niet. Plots schijnt er een fel licht op Egel. Het kleine beestje, ondertussen verlamd van schrik, kan niets doen behalve kijken hoe de koplampen in hoog tempo dichterbij komen.

Kerstverhaal deel drie

De Kerstmiskerel
Hoofdstuk drie door Joop den Toonder

De Kerstman schrikt wakker. Onwennig knippert hij met zijn ogen terwijl hij de slede stevig vastgrijpt. Zijn inmiddels wat gehavende voertuig stuitert over de grote keien en het rulle zand die de kust van Zuid Zweden vormen. “Hooo ho ho, stelletje kolere-beesten!” brult de Kerstman met schorre stem naar de schonkige rendieren die zijn slee richting het water trekken. Zonder zijn blik van de rendieren af te wenden grijpt hij de teugels en geeft er een harde ruk aan. De rendieren kermen en minderen vaart. Vlak voor het water van de Öresund staat de slee stil. Hijgend stapt de Kerstman uit zijn slede. “Fokking rendieren!” brengt hij buiten adem uit. Bevend loopt hij naar de achterkant van de slee, rommelt wat, en tovert uit de provisorische dubbele sleewand een fles Licor Cueran…, Quare…, een fles likeur tevoorschijn. De Kerstman trekt de fles open en neemt een flinke teug. Terwijl hij zijn mond aan zijn mouw afveegt, loopt hij naar de rendieren, die nu wat onverschillig staan te gnuiven. “Een beetje onverschillig staan te gnuiven, hè?” bijt de Kerstman de rendieren toe. “Ik had wel dood kunnen zijn!” De Kerstman grijpt naar zijn scrotum en krabt langzaam. “Hmm. Jullie hebben geluk dat de kerstballen nog heel zijn”, zegt hij terwijl hij weer in de slee stapt. Met een flinke klap van de zweep brengt de Kerstman zijn konvooi, na een korte bocht, in tegengestelde richting in beweging. Terwijl de rendieren op snelheid komen, graaft de Kerstman wat in de grote zak cadeautjes die achterin de slee ligt. Zonder te kijken gooit hij een tiental pakjes in de sneeuw. Met een klein rukje stuurt de Kerstman de slee weer in de richting van het water. “Er moet meer uit,” bromt hij, terwijl hij zich wederom over de zak cadeautjes buigt. Hij trapt een paar keer tegen de zak en gooit nog wat kleurig ingepakte pakjes uit de slee. Nadat zo’n dertig cadeaus in de sneeuw beland zijn, begint de slee wat los te komen van de grond. “Zie zo,” mompelt de Kerstman, “Drs. P zou trots zijn. ‘En nergens is één leeuw’”, citeert hij genoegzaam, waarna hij nog vijf Schopenhauers uit zijn slede trapt. De slee vliegt inmiddels weer en al gauw bevindt zij zich boven de Öresund. De Kerstman spuwt een grote fluim naar beneden.

“Denemarken is groter dan je denkt”, denkt de Kerstman bij zichzelf wanneer hij Duitsland binnen vliegt. Het is nu nog maar een klein stukje tot hij op de plaats van bestemming is. De Kerstman meldt zich bij de Duitse luchtverkeersdienst. Nadat die hem heeft verteld dat hij over Venlo moet vliegen, leest de Kerstman de luchtverkeersleiding een stukje uit Die Welt als Wille und Vorstellung voor. De rendieren minderen ondertussen al wat vaart. Bij de eerste luchtzak veert de Kerstman onwillekeurig op, waarbij hij de fles calvados per abuis uit zijn handen laat vallen. Tussen zijn voeten, op de bodem van de arrenslee, versplintert de fles. Het glas ligt over de hele bodem van de slee. De Kerstman grijpt naar zijn weekendtas, trekt zijn laatste schone onderbroek eruit en dept de drank op. Het lege appelmoespotje wat de Kerstman altijd bij zich draagt komt nu van pas: hij knijpt de onderbroek uit in het glazen potje. Als de onderbroek leeg en het potje vol is, verdwijnt het ondergoed weer in de weekendtas. De Kerstman haalt opgelucht adem en zet het potje aan zijn mond. Intussen is zijn slee gedaald tot ongeveer honderd meter hoogte. De Kerstman herkent nu de Autobahn, als een lange sliert grijs asfalt. Hij gooit de gebroken flessenhals van de calvados naar de rendieren: “Ho ho ho, we gaan even stoppen, hertjes van me!”

De warme straal urine van de Kerstman raakt de buitenmuur van het openbaar toilet op de Raststätte. De Kerstman plast altijd tegen openbare toiletten aan, want van binnen zijn ze zo vies. En de spiegels maken je dik. Bovendien heeft zelfs de Kerstman van George Michael gehoord. “WHAM! is kut”, denkt hij bij zichzelf, “altijd hetzelfde liedje met kerst”. De Kerstman heeft een grondige hekel aan kerstliedjes. Bij het arbeidsbureau waren ze op grond daarvan ook niet overtuigd van zijn keuze voor dit beroep, maar ach: het is weinig werken met veel vakantiedagen. Een soort leraarschap, maar dan zonder die ellendige koters om je heen. Al waren die Eskimo’s ook hufters. Nadat hij zijn geslacht uitvoerig en tot de laatste druppel in de rondte heeft geslingerd, loopt hij richting zijn slee en knoopt hij zijn broek dicht. In die volgorde. Als hij langs een vuilnisbak loopt, kan hij de verleiding niet weerstaan en trapt de bak om. Bij de slee aangekomen valt zijn oog op het gebroken glas dat nog steeds op de bodem van zijn slee ligt. De Kerstman raapt een scherf op en loopt ermee naar het openbare toilet. Hij maakt de scherf nat en in één soepele beweging scheert hij zijn vreemd gevormde baard af. Hij gooit de baard in de wasbak en loopt weer richting de slee. Hij trapt nog een keer tegen de vuilnisbak. “Op naar Venlo!”

Langzaam schuurt de arrenslee de Vleesstraat in. “Je moeder!” roept de Kerstman naar een enthousiast toeterende auto. Het zojuist nog vrolijk zwaaiende jochie van 6 kijkt nu verschrikt op naar zijn moeder, die achter het stuur zit. Zij haalt verbijsterd haar schouders op naar haar zoontje. De Kerstman ziet hoe hij begint te huilen. “Geen Schopenhauer voor Rik dit jaar”, mompelt hij. De straten in Venlo zijn feestelijk versierd met dikke lagen nepsneeuw, uitbundige PVV-posters, kleurrijke verlichting en dito hangjongeren. Bij de slijterij stopt de slee van de Kerstman. De Kerstman stapt uit en bestelt binnen een paar flessen amaretto. Wanneer hij weer naar buiten loopt, is de arrenslee nergens te bekennen. De Kerstman draait de dop van de eerste fles los. Dan kijkt hij op. “Hé! Mijn slee! Toch niet weer Drs. P? Dus toch”, brengt hij uit. “Lekker. Dit kan ook echt alleen in Limburg.” De straten van Venlo zijn verlaten. En het regent.

Op station Amsterdam Centraal stapt de Kerstman uit de trein. Hij loopt in rechte lijn naar het Oudekerksplein, op de Wallen. De Kerstman mag dan misschien ieder kind verblijden met een cadeau, hij is uiteindelijk ook maar een man alleen. En de laatste keer dat hij… Was dat Luleå? Voorovergebogen sloft hij langs de grote ramen, waarachter de kinderen van gisteren staan. Hij herkent hun gezichten. “Mariëtte. Stout”, zegt hij zacht. De Kerstman ziet hoe hitsige mannen de vrouwen keuren alsof het winterbanden zijn. Groepen toeristen trekken lachend en wijzend voorbij, de vrouwen achter de ramen steeds van hun mensheid berovend. In de reflectie van de ruiten ziet hij zichzelf: een dikke man van middelbare leeftijd in een oud T-shirt. Geen baard, geen muts, geen belletjes, geen jas, geen cadeautjes, geen laarzen, geen slee. Hij is de Kerstman niet meer. “En kerst is dood in dit godvergeten oord”, mompelt hij. Hij loopt hoofdschuddend verder. Ineens verschijnt voor hem, tussen de roze lampen en de rode mistroostigheid, een prachtige vrouw in een lang gewaad. Ze wordt omgeven door een schitterend, onaards licht. De Kerstman blijft als aan de grond genageld staan. Een vreemde soort rust en warmte komt over hem. Hij ziet hoe de vrouw hem wenkt. Slaafs en vol verwondering loopt hij naar haar toe. Met elke stap maakt een diep gevoel van goedheid en heiligheid zich meer en meer meester van hem, en het kost moeite niet te huilen. De omgeving begint te verdwijnen. Alle duistere droefenis lijkt te vergaan. Maar de Kerstman ziet het niet. Hij is bijna bij haar. Haar aanblik vervult hem met vreugde. De Kerstman zakt door zijn knieën, buigt zijn hoofd in oprechte eerbied en vraagt: “Hoeveel?”