Snotneus.

Ophef bij de KRO-NCRV. In de uitzending van het televisieprogramma Brandpunt van afgelopen dinsdag noemde presentator Fons de Poel het GroenLinks-Kamerlid Jesse Klaver een ‘snotneus’. Klaver werd genoemd in verband met het onderwerp van de bewuste uitzending: de positie van ABN Amro. De Poel nam het daarbij op voor de hoge bazen van de bank, schijnbaar in de veronderstelling dat die bazen niet bij machte zijn dat zelf te doen, en beschrijft Klaver’s acties en uitspraken derhalve nogal schamper. Na een fragment waarin Klaver spreekt, reageert De Poel met ‘snotneus’.

Toegegeven, dit soort acties zijn we normaal gesproken vooral van Herman van der Zandt gewend. Meestal is de timing dan beter en spat de onderkoeldheid ervan af. De Poel, daarentegen, overtuigd humoristisch niet erg en komt ietwat gefrustreerd over. Hij lijkt het zich, als een onvervalste internetreageerder, veel te persoonlijk aan te trekken. Daar blijkt echter meer achter te schuilen: De Poel klust zo nu en dan bij bij ABN Amro. Het zaakje ruikt dus een beetje naar WC-Eend, en daarom gaat de KRO-NCRV nu in beraad over De Poel.

Wat mij betreft moet de uitkomst tweeledig zijn. Enerzijds verdient De Poel een stevig gesprek over zijn bijverdiensten. Die zijn namelijk principieel niet zo goed te combineren met de journalistieke pretenties van Brandpunt. Bovendien zou De Poel zich eens moeten afvragen waarom bankiers beschermd zouden moeten worden tegen kritische geluiden vanuit de politiek: was (en is) dat namelijk niet de kern van de problemen in de financiële wereld? Anderzijds wil ik De Poel een omhoog gestoken duim toespelen. Hij heeft immers het prachtige, oer-Hollandse ‘snotneus’ weer in onder de collectieve aandacht gebracht. Want hoe we het ook wenden of keren: er is geen mooier, gepaster woord om je minachting voor iemand kenbaar te maken. Geen woord zo duidelijk lakend als ‘snotneus’. Een verfrissend geluid in een discours dat momenteel vooral gedomineerd wordt door ziektes en Engelse leenwoorden.

De Poel mag wat mij betreft dan ook blijven. Maar alleen op de voorwaarde dat hij het woord ‘snotneus’ blijft gebruiken, en zorgt dat hij de term voor de rechtmatige snotneuzen hanteert.

Top Gear

Ik volg Top Gear al meer dan tien jaar. Ik weet niet eens meer precies hoe ik het programma ooit op het spoor ben gekomen, maar als jochie van 13 ben ik waarschijnlijk tijdens het zappen door het programma gegrepen. Seizoen twee was bezig, en ik zag drie mannen die in auto’s reden en daarover naderhand grappend spraken in een vrijwel lege hal. Voor mij, als levenslange autofanaat, waren die auto’s vermoedelijk de voornaamste reden om te blijven kijken. De spoeling voor autoprogramma’s was dun en bovendien waren de meeste van die programma’s tenenkrommend slecht. Het gros is dat nog steeds, trouwens. Maar in 2003 werd elke seconde die gewijd was aan vier banden, een stuur en een motor, hoe slecht ook, door mij gekoesterd.

Maar al snel merkte ik dat Top Gear anders was en iets nieuws bracht. Ik zag mannen die begrepen wat het betekent om een liefhebber van auto’s te zijn. Zij snapten dat liefhebbers (en 13-jarige jongetjes; die twee categorieën vallen nogal eens samen) niet geïnteresseerd zijn in gedegen consumentenadvies over hoofdruimte achterin of de mogelijke kleurencombinaties en de bijbehorende prijzen. Dat is informatie die voor de consument relevant is, wanneer hij of zij op zoek is naar een geschikt vervoersmiddel. Echte autofanaten, daarentegen, zien de auto niet louter als middel, maar als doel op zich. Dat doet ertoe, aangezien de band en omgang met een doel fundamenteel anders is dan de omgang met een middel. De relatie met het doel is ten diepste persoonlijk en contextueel, waardoor de rationaliteit het steeds verliest van ondoorgrondelijke, subjectieve voorkeuren en ervaringen. Anders gezegd: voor autoliefhebbers is objectiviteit met betrekking tot een auto volstrekt irrelevant. Wat telt, is de mate waarin de auto zoiets vaags als ‘passie’ weet op te roepen. En Top Gear begreep dat.

In de afgelopen 12 jaar heb ik geen enkele aflevering gemist; de meeste episodes heb ik meerdere keren gezien. Een groot deel van mijn Engelse vocabulaire is zelfs rechtstreeks terug te voeren op die poky motoring show. De show werd na verloop van tijd merkbaar professioneler, groter en spectaculairder. Maar ondanks alle opsmuk bleef de kern in wezen hetzelfde: de auto als persoonlijke beleving stond centraal. Wat je ook van Top Gear vindt, of van de boodschap die het uitdraagt, het programma wist wel haarfijn de vinger te leggen op wat het betekent om een autoliefhebber te zijn. Om te zien dat je met je gekke verhouding tot blik, olie en metaal gelukkig niet de enige bent. En om te delen in het plezier van andere liefhebbers, die snappen dat een auto meer kan zijn dan de som van zijn afzonderlijke onderdelen.

Jeremy Clarkson, het onbetwiste boegbeeld van Top Gear, kreeg afgelopen week te horen kreeg dat zijn contract bij de BBC eind deze maand niet vernieuwd zal gaan worden omdat hij fysiek geweld tegen één van de producers gebruikt heeft. Wat mij betreft is dat volkomen terecht: zulk zinloos geweld kan en mag niet getolereerd worden, of je nu Jeremy Clarkson heet of niet. Maar met Clarkson komt ook een eind het Top Gear dat we nu 13 jaar lang kennen. De kans is namelijk groot dat ook James May en Richard Hammond zonder Clarkson niet door willen met het programma. Dat begrijp ik, of sterker: ik verwacht eigenlijk niet anders. De fijne, complexe chemie tussen de drie presentatoren is met de jaren één van de hoekstenen van het programma geworden. Wanneer alleen Clarkson wordt vervangen, verliest het presentatorentrio de gedeelde geschiedenis, terwijl dat nu juist één van de krachten achter de geslaagde onderlinge verhoudingen is.

Op dit moment zijn er allerlei vervolgscenario’s mogelijk. Het waarschijnlijkst is dat de BBC doorgaat met Top Gear, maar pas nadat het bedrijf drie nieuwe presentatoren (m/v) heeft aangesteld. Ik zal zeker kijken: de formule van Top Gear is nog steeds de moeite waard. De vraag is of de drie nieuwelingen in staat zijn net zo’n interessante driehoeksrelatie te smeden als hun voorgangers. Er is hoop: de vorige drie zijn ook tamelijk willekeurig bij elkaar gezet. Voor het oude Top Gear-trio hoop ik dat een andere omroep zich aandient, bij voorkeur zelfs één waarbij ze de schaal iets moeten terugschakelen. Wat ze daar ook gaan doen: laat ze zo af en toe in een auto zitten. Laat die liefhebber zo nu en dan een glimp zien van de passie die elk van de heren voor auto’s heeft. Dat stelt mij, als verdwaalde autoliefhebber, gerust en zorgt er bovendien voor dat we niet één, maar effectief twee verschillende Top Gears zullen hebben. Met dat vooruitzicht kan ik wel weer 13 jaar vooruit.

Baardsecretaris

Nadat Ivo Opstelten en Fred Teeven anderhalve week geleden opstapten, werd de zoektocht naar twee opvolgers voor de voormalige minister en staatssecretaris gestart. Inmiddels zijn ze dan gevonden: Ard van der Steur zal als nieuwe minister van Veiligheid en Justitie ondersteund worden door de nieuwe staatssecretaris Klaas Dijkhoff. Van hen weet en vind ik verder niets, maar toch wil ik de benoeming van Dijkhoff voorzien van een gepast applausje. Met hem keert er na een lange afwezigheid namelijk weer een (bescheiden) baard terug in een Nederlands kabinet.

Hoewel de baard in onze samenleving en onder invloed van het hedendaagse modebeeld eerder regel dan uitzondering is, schittert deze in vak K al enige jaren door afwezigheid. Gezichtshaar is in het algemeen niet moeilijk te vinden in de lijst van opeenvolgende kabinetten: een snor komen we in allerlei vormen en formaten in bijna elke kabinetsperiode wel ergens tegen. Maar naar een baard is het aanmerkelijk grondiger zoeken. Mijn onderzoek naar baarddragende bewindslieden bracht mij naar Herman Heinsbroek als Dijkhoffs directe baardvoorganger. Hij was in 2002 (zeer kort) minister en droeg, net als ikzelf overigens, een wat halfslachtig baardje. Niettemin: gezichtshaar van oor tot oor. Maar 2002 is inmiddels wel al ruim 13 jaar geleden. Dat zijn 13 aaneengesloten jaren waarin baarddragers zich niet zichtbaar gerepresenteerd zagen in hun regering.

Toen ik nog iets verder naar regerend baardhaar groef, merkte ik dat het probleem groter was dan ik in eerste instantie had vermoed. Van 2002 moeten we namelijk helemaal terug naar 1982 voordat we weer een baard van betekenis tegenkomen. Met Jaap van der Does had baarddragend Nederland destijds, zij het wederom kort, een waardige vertegenwoordiger in de functie van staatssecretaris. Natuurlijk, staatssecretaris Jaap Scherpenhuizen droeg in 1986 weliswaar een sik waarin je je volledige bestek kon kwijtraken, maar een baard mag het toch zeker niet genoemd worden. En wat voor baas staatssecretaris Jan Schaefer van 1973 tot 1977 ook was, een goatee blijft een sik. Maar zelfs zulke flinke sikken kunnen niet verhullen dat er tussen 1981 en 1939 geen enkele baarddragende minister of staatssecretaris te vinden is. Een absurde realiteit. Pas met Jan Rudolph Slotemaker de Bruin vinden we eindelijk weer een wollig gezicht in de Nederlandse parlementaire geschiedenis. Maar dus wel pas in 1939. We kunnen dus constateren dat de baard met maar drie dragers over een periode van 76 jaar behoorlijk ondervertegenwoordigd is.

Ondanks de inspanningen van vrijwel uitsluitend Japen en Jannen in de Tweede Kamer, is een fikse dosis gezichtshaar de afgelopen decennia bijna van het politieke toneel verdwenen. Baarddragende premiers als Pieter Cort van der Linden, Nicolaas Pierson, Julius van Zuylen van Nijevelt en hipster avant-la-lettre Gijsbert van Tienhoven draaien zich waarschijnlijk hoofdschuddend en baardbedekkend om in het graf. Gelukkig gloort er met de aanstelling van Dijkhoff weer hoop aan de horizon: de baard is terug. ‘Klaas’ als vervolg op de reeks ‘Jan-Jaap-Herman’. Het is voor Dijkhoff te hopen dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de lengte van de baard en de lengte van de ambtsperiode. Anders kon het namelijk wel eens een erg korte rit worden.

 

Bouwdebat

Een maand geleden woonde ik een voorlichtingsavond over een relatief groot nieuwbouwproject in mijn stad, Den Helder, bij. Het is één van de vele vernieuwingen die de stad momenteel op allerlei manieren kwalitatief moeten verbeteren. Dat was nodig ook; de twintigste eeuw is bepaald niet vriendelijk met de stad omgesprongen en overal zijn de werktuigelijke sporen daarvan zichtbaar. Het doel van dit bewuste nieuwbouwproject is precies die ruwe realiteit tot iets draaglijks om te vormen, zoals tatoeages dat soms zo nobel bij brandwonden kunnen doen. Die pogingen boeien mij en ik volg de ontwikkelingen dan ook op de voet.

Met zo’n dertig tot veertig andere geïnteresseerden en omwonenden nam ik plaats voor het diascherm waarop de ontwikkelaar en architect het voorlopige ontwerp en bepaalde technische details zouden gaan tonen. Ik had er zin in, want de andere ontwikkelingen in de stad zijn tot dusver veelbelovend en ik was benieuwd wat voor hoopvols er aan die lijst toegevoegd zou worden. Een fraai plan, zo bleek. Kwalitatief hoogwaardig, passend in de omgeving, met een mooi en proportioneel hoogteaccent. Helaas werd mijn aanvankelijke enthousiasme in de kiem gesmoord. Dat had niets te maken met de plannen, de uitwerking ervan of de presentatie, maar zuiver en alleen met mijn mede-toehoorders.

Het was Winston Churchill die naar verluid ooit gezegd heeft dat ‘het beste argument tegen de democratie een discussie van vijf minuten met de gemiddelde kiesgerechtigde’ zou zijn, en het spijt me bijna te zeggen dat ik tijdens deze avond een lelijke glimp heb gezien van wat Churchill hiermee probeerde te zeggen. De presentatie was amper begonnen of een handvol aanwezigen zette de hakken stevig in het zand. Niet beschikkend over het geduld om het volledige plan in al zijn facetten aan te horen, gooiden zij er meteen een paar amper doordachte en misplaatste bezwaren tegenaan. Men trok verregaande conclusies aan de hand van voorlopige impressies. Dat er in het plan geen groen meer te bekennen zou zijn (een conclusie die na drie minuten en één zwart-wit situatieschets werd getrokken) en hoe 500 meter lopen naar de supermarkt voor de beoogde doelgroep ‘veel te ver’ zou zijn. Waar de beloofde zes bomen uit een ander nieuwbouwproject bleven en waarom het stoepje tijdens de bouw tijdelijk niet bruikbaar zal zijn. Een meneer durfde het zelfs aan zich pijnlijk te verslikken in een simpele rekensom over de bouwhoogte, en weigerde vervolgens de terechte correctie van zijn fout. Een ander gaf tendentieuze maar, zo bleek meteen, foutieve informatie om haar onvrede kracht bij te zetten. Publieke schaamte werd door hen schijnbaar niet gevoeld, terwijl slechte dossier- en feitenkennis werd gemengd met goedkope retorica.

Ondertussen dreven de toch al amper ter zake doende argumenten steeds verder af van het onderhavige plan. Eén aanwezige vertelde de ontwikkelaar dat nieuwbouw ‘bouwen voor leegstand is’, alsof die overweging bij de ontwikkelaar nog nooit was opgekomen en het project eigenlijk een soort uit de hand gelopen hobby zou zijn. Een andere mevrouw stelde zich bij de bouwoverlast schijnbaar voor dat ze tien jaar lang elke dag hordes bouwvakkers uit haar woonkamer zou moeten verjagen. Alsof er tot 2050 non-stop onder haar keukenraam geheid zou worden, terwijl ze in feite hooguit drie weken een hei-installatie op ruim 100 meter van haar huis zou kunnen verwachten. Ook klaagde ze over de algemene betrouwbaarheid van elektronica en haar eigen lichamelijke gezondheid.

Het was duidelijk: men kwam met vooroordelen en was vastbesloten met precies die vooroordelen weer te vertrekken.

Afgelopen week bleek dat er een petitie tegen het plan is gestart. 117 handtekeningen zijn gezet om te voorkomen dat het ‘zicht op de dijk’ ontnomen wordt. Ik weet niet of u wel eens een dijk heeft gezien, maar veel saaier dan een met gras begroeide zeedijk wordt het niet. Als dat een valide argument zal blijken te zijn om verdere ontwikkeling te blokkeren, dan was de voorlichtingsavond bij nader inzien een gedegen en waardig debat.

Poezen en dozen

De faculteit diergeneeskunde van de Universiteit van Utrecht is na onderzoek tot nieuwe conclusies gekomen: poezen die in een doos zitten, hebben minder stress dan poezen die die mogelijkheid niet hebben. Dierenartsen ontdekten dit tijdens een onderzoek waarbij katten enige tijd in een afgesloten kooi zaten. Ten opzichte van katten zonder schuilplaats waren de beestjes die beschikten over een doos minstens drie dagen eerder hersteld van de stress. Een mooi resultaat, dat meteen flink demystificerend werkt voor al die online filmpjes en foto’s van katten die compulsief in en door kartonnen dozen kruipen.

Het onderzoek deed mij denken aan een terloops experiment dat ik enige tijd geleden zelf deed. Mijn methode was ongeveer gelijk, maar mijn resultaten gelden als nuance op het verhaal van de Universiteit van Utrecht. Zo ontdekte ik dat katten zelfs ín de doos al een stuk rustiger neigen te worden. Het enige dat ze nodig hebben, is tijd. Met de kanttekening dat de poes na één dag kortstondig heel onrustig wordt (en ik de doos, in naam van het experiment, grondig dicht heb moeten tapen), ondervond ik dat het beestje daarna gaandeweg steeds kalmer werd. En, zo blijkt, hoe langer ze erin blijven zitten, hoe rustiger ze worden. Eén van de katten op mijn zolder, Schrödinger, is zelfs zo ontspannen dat ik ‘m al een half jaar geen eten en drinken meer heb hoeven geven. Hij stinkt wel een beetje, maar ik denk dat dat komt doordat hij zich niet meer wast. Daar is ‘ie waarschijnlijk te relaxt voor, en z’n doos bovendien te klein.

Wat het onderzoek uit Utrecht ook verzuimt te vermelden, is dat de katten alleen minder stress ervaren als je de doos niet zo af en toe flink schudt. Of er regelmatig knikkers tegenaan gooit. Dat lijken mij geen overbodige details. Bovendien vermoed ik dat mijn bevindingen voor meer diersoorten gelden. Dus ja, een prima onderzoek van de Universiteit van Utrecht, maar het had wel iets diepgravender gemogen.

BNG Bank Literatuurprijs

De jury van de BNG Bank Literatuurprijs heeft gelijk: 2014 was literair gezien een mager jaar. “Te weinig durf, te povere stilistische en compositorische middelen, geen urgentie, zozeer dat de vraag opkomt: waren deze boeken wel uitgegeven als de auteur niet jong en niet onweerstaanbaar aantrekkelijk was geweest?” Wat de tijdelijke online afwezigheid van drie lelijke mannen al niet betekent voor de staat van het Nederlandstalige literaire landschap. Over onze geruisloze retraite is echter reeds genoeg geschreven (helaas uitsluitend door onszelf), dus laat mij voor nu volstaan met hardop uitgesproken hoop op meer urgentie, durf, fijnere stilistische en compositorische middelen, én meer sexy schrijvers.

Toch is dit jonge jaar wat dat betreft niet al te best begonnen. Gisteren verscheen namelijk nieuw werk van Mario Draghi, en laten we er niet omheen draaien: het was om te huilen. Op het feit dat Mario bepaald geen natuurlijke schoonheid is, mogen we hem uiteraard niet afrekenen, maar hij lijkt geen enkele moeite gedaan te hebben om zijn esthetische tekorten met technisch literair vernuft te compenseren. Hoewel het onderwerp van zijn gisteren geheel online verschenen werk, de Europese economie, weliswaar ‘urgent’ is en vraagt om ‘durf’ en ‘stilistische middelen’, komt Draghi feitelijk niet verder dan een nogal lelijke opsomming van vaktermen. De toon is kil en berekenend en geeft ons nauwelijks inzicht in het gevoelsleven van de personages. Nergens kiest Draghi voor de diepte en nergens kiest hij bij die ondiepte fraaie woorden of pakkende metaforen.

Nee, in plaats daarvan biedt de auteur ons vooral kwantiteit zonder substantie. Het idee dat de simpele macht van het getal een goed resultaat garandeert, is met Draghi’s laatste werk duidelijk ontkracht. Bij Draghi is de vraag gerechtvaardigd of zijn werk wel uitgegeven zou zijn als hij niet de baas van de Europese Centrale Bank was geweest. Ik denk dat het antwoord daarop ‘nee’ moet zijn. Wellicht dat hij bij zijn eigen bank ooit nog eens een prijs in de wacht weet te slepen, maar ik vermoed dat de BNG Bank Literatuurprijs 2016 niet voor Mario Draghi bestemd is.

Nieuwe ronde

Dit is ons tweede stukje na onze grote heropening afgelopen maandag, en ik moet zeggen; de sleur zit er alweer goed in.

De voornaamste reden dat MMeM afgelopen seizoen was doodgebloed, was omdat we zo af en toe niets weten om over te schrijven en dan gaan er soms wel uren aan snuffelen op nieuwswebsites aan vooraf, voordat de inspiratie gevonden is. Wij waren toen alledrie in situaties waarin we geen tijd hadden voor dat soort dingen, en besloten om de stukjes met steeds verminderde regelmaat naar buiten te laten komen en uiteindelijk helemaal niet meer te maken. Wanneer ons vast publiek zich zou realiseren wat er gaande was en zij uit verbijstering en teleurstelling in actie zouden komen, mails zouden gaan sturen, herrie zouden gaan schoppen, zouden wij allang uit de voeten zijn. Zulke reacties bleven echter uit, wat wij dan weer erg teleurstellend vonden.

Vandaag was weer zo’n dag. We hebben twee dagen geleden echter gezegd dat we iedere woensdag iets posten, dus het is nu nog wel erg vroeg om dat op te geven. Dan weten jullie het, ik schrijf een stukje, maar echt van harte gaat het niet.

Tijdens mijn internetspeurtocht kwam ik een bericht tegen over Giel Beelen. Ik heb een hekel aan Giel Beelen, dus dat zou een mooi onderwerp kunnen zijn. Hij had gehuild op televisie, eerst in zijn eigen programma en daarna bij De Wereld Draait Door. Daarna had hij een muziekrecensent die een prijs had gewonnen op Facebook bekritiseerd. Die recensent had hem weer bekritiseerd op zijn eigen website, en Beelen reageerde daar weer op. Mensen reageerde daar weer op via twitter. Nederland was Giel Beelen zat, zo vertelde de kop mij.

Het was de site van Spits Nieuws, dus ik weet eerlijk gezegd ook niet wat ik verwachtte, maar het blijft mij verbazen wat er zo af en toe voor nieuws doorgaat. Het nieuws was nu dat er boze mensen twitterde over iemand die boos was op iemand omdat diegene boos was op persoon één. Ik heb er even over gedacht om een stukje te schrijven over hoe gek ik dat vind, maar dan heb je een stukje van iemand die boos is, omdat er mensen schrijven over dat mensen boos zijn op iemand die boos is op iemand die boos is omdat diegene boos is op die persoon. Ik denk niet dat ik op die manier mijn punt kracht bijzet.

Vandaar dat jullie dit lezen; een metastukje over hoe moeilijk het wel niet is om stukjes te schrijven. Dat is lui, waarvoor ik me excuseer. Daarnaast is meta geloof ik ook alweer passé, wat slecht nieuws is, want deze alinea smeert er nog een metalaagje overheen. Zo aan het einde kan ik wel zeggen dat dit een behoorlijk matig stukje is. Ik gooi het maar op de roest die ik uit mijn toetsenbord moest tikken na tien maanden inactiviteit.

Lopende band

Hoewel deze woorden nu via het internet tot u komen (tenzij u die ene obscure drukkerij heeft gevonden die onze werken, tegen beter weten en het politiek-sociale klimaat in, toch drukt en verspreidt onder gevallen Oost-Duitse intellectuelen – in welk geval: hulde!), ben ik bepaald geen dikke vrienden met elektronica. Ik beschouw de elektronica zo ongeveer als Facebook: je zou er eigenlijk prima zonder kunnen, maar soms is het gewoon handig. Leuk is het echter zelden, en zie daar de analogie met Facebook.

Nu klinkt het wellicht alsof ik afwijzend sta tegenover de elektronica, maar dat is absoluut onwaar. Ik ben omringd door elektronica en gebruik het ook regelmatig. Toch heb ik er geen fascinatie voor. Dat is ergens een beetje vreemd, want hoe anders is dat met die andere vorm van techniek: de mechanica. Mechanica is (in dit geval) de techniek van de olie- en luchtdruk, van de zuigers en cilinders, van warmtespiralen, nokkenassen en kogellagers, van frezen en boren en van boutjes en moertjes. Ik ben mateloos onder de indruk van grote machines die zuchtend en sissend enorme krachten ontwikkelen en, bijvoorbeeld, drijvende klompen staal in beweging kunnen zetten, een tunnel onder een fucking zee boren of stukken boom aan gort kunnen malen. Dus ja: Discovery Channel begrijpt mij. Ik wil zwetende motoren en ratelende kettingen zien. Ik wil begrijpen hoe je met zwaar materieel goud delft in de blubber. En ik wil graag aanschouwen hoe alle onderdelen, van klein tot groot, hun eigen en essentiële functie vervullen en in de ronkende machine tot een prachtige harmonie van olie, metaal en gecontroleerde explosies worden.

Vergeleken met al dit moois is de elektronica dood. Uiteraard, je kunt er prachtige dingen mee doen en maken, dat bewijst elk denkbaar besturingssysteem van elke mogelijke ontwikkelaar. Maar het blijft klinisch en afstandelijk. Een druk op een touchscreen is gevoelloos; er lijkt geen fysieke verbinding te bestaan tussen jou en dat-wat-zich-achter-glas-bevindt. Met mechanische apparaten daarentegen kun je een band opbouwen. Ik voel een soort connectie met mijn koffiemolen, met een door mij veelgebruikte auto en met mijn fiets. Een onderhoudsbeurt aan mijn fiets onderneem ik dan ook met oprechte zorgzaamheid, koffie maal ik met zachte hand en een wandeling op een autosloop is een emotionele achtbaan. En dat heb ik gewoon niet met mijn telefoon, laptop of ov-chipkaart.

Natuurlijk, dit is niet nieuw. Ik probeer hier slechts stuntelig een gevoel uit te drukken dat al eerder uitvoerig en innemend werd beschreven. Dus bij deze een tip voor gelijkgezinden: Zen en de kunst van het motoronderhoud.