14
apr 13

Stedelijk Museum

Een tijdje geleden bezocht ik het vernieuwde Stedelijk Museum in Amsterdam samen met collega Beerschot. Vol verwachting sloten wij aan in de rij voor de toegangskaartjes. Binnen enkele minuten was iedereen verdwenen en stonden we binnen in het gekunstelde witte gebouw dat door de Amsterdammer al liefkozend “de badkuip” wordt genoemd. Een warm bad was het niet. Elk schilderij, elke installatie schreeuwde om mijn aandacht en de plattegrond toonde mij dat er ook nog een bovenverdieping was, en een kelder. Ik ben het Museum doorgerend en heb alles gezien, maar van niets echt genoten.

De volgende dag ben ik teruggegaan en heb ik mijn stellingen op de schuifdeuren getimmerd. Ik heb alle kunstwerken beklad met waterverf en rondjes gereden op mijn brommer. Ik bepleit een museum met één schilderij! Dit schilderij moet groot zijn en mooi. Er moeten lekkere stoelen komen in de zaal waarin het komt te hangen; een bioscoop met één beeld en alle tijd om dat eens rustig te bestuderen.

museumscoop


08
apr 13

Koffie en chocolade

MJAMIk ben geen fan van een specifiek werelddeel. Een favoriet werelddeel hebben is ongeveer hetzelfde als het hebben van een lievelingskleur of -getal: hartstikke leuk, maar je hebt er geen ruk aan. Ik ga er gewoon maar van uit dat elk continent zo z’n eigen charme heeft. Of iets dat daarop lijkt. Lekker eten ofzo. Wat dat betreft hebben Zuid-Amerika en Afrika iets echt heel goed voor elkaar: ze verbouwen daar koffie en cacao. Dat is op zichzelf al plezierig, maar het wordt pas keihard genieten als je die twee combineert. Ik weet niet of u het ooit wel eens heeft geprobeerd, maar een flinke hap chocolade voor een slok koffie is echt fantastisch. De smaaksensatie trekt via je tong dwars door je hoofd naar je hersenstam en start daar een euforische, eclectische polonaise in je hoofd. Je ogen gaan tollen in hun kassen, het voelt alsof je vloeibaar goud ademt en elke aanraking met je vingertoppen is als het aaien van een pasgeboren lammetje. Als je niet oppast, heb je ongemerkt maar genadeloos een crisis. Geloof me: het is het waard.


20
okt 12

Gouden Televizier-Ring Gala 2012

Gisteravond was het zover: de uitreiking van de Gouden Televizier-Ring 2012. Het Amsterdamse theater Carré werd voor dit spektakel volgestouwd met de crème de la crème van de Nederlandse televisie, c.q. Ali B., Linda de Mol en Britt Dekker. Dat is inderdaad hoe het Nederlandse televisielandschap er momenteel bij ligt. Maar gisteravond werd dit landschap vooral gevierd. Reinout Oerlemans (u weet wel, De Regisseur Met Baard) verzorgde de presentatie, en al met al werd het een gemoedelijke, eigenlijk wat saaie avond. Een beetje zoals de Nederlandse televisie dus.

Terwijl dit tafereel zich voor mijn ogen voltrok, vroeg ik mij toch vooral af wie de keuze voor de verschillende uitreikers van de verschillende prijzen heeft gemaakt. Want wie denkt er bij de uitreiking van een televisieprijs meteen aan een olympisch turner, in de vorm van Epke Zonderland? Of een astronaut? Zelf vermoed ik dat we in Nederland gewoon niet meer bekende televisiepersoonlijkheden hebben om de prijs te overhandigen, daar zij allemaal opeengepakt in de volle Carré-zaal zaten. Dat verklaart ook meteen het optreden van Mart Smeets, die qua gala-geschiktheid natuurlijk maar vlak voor Fidel Castro komt. Alleen tussen de cheerleadende showballetdansers zou Smeets minder op zijn plaats zijn.

Van Reinout Oerlemans kan je daarentegen veel zeggen, maar hij heeft op zijn minst iets te maken met televisie. De keuze voor Oerlemans als presentator is dan ook een stuk minder merkwaardig. Het is alleen wel een beetje jammer dat zijn hele optreden bij het gebrek aan merkwaardigheid blijft steken. Hij is een presentator van een tamelijk brave show. Dat is zo ongeveer wat erover te zeggen is. Ik pleit ervoor volgend jaar de lijn van de Golden Globes-uitreiking te volgen. Men neme: een buitenlandse cabaretier in een smoking, een lessenaar en een zaal vol mensen met trots, en ik verzeker u dat u het Gouden Televizier-Ring Gala volgend jaar wèl wilt zien. Bij deze wil ik ook alvast Phillipe Geubels (de kale Belg met bril, ja: die) voor die rol van cynische gastheer nomineren. U kunt nu stemmen.


06
okt 12

Leslye Headland – Bachelorette

Als u iemand bent die van de film Bridesmaids heeft genoten, dan zal Bachelorette bij u ongetwijfeld 0ok in de smaak vallen. Toegegeven, er wordt niet in een gootsteen gekakt, maar er is genoeg om je wenkbrauwen vol afschuw bij op te hijsen. Wat dacht u van kotsen in een bad, draden sperma tussen de bovenbenen en een stripper die rechtstreeks uit de Village People weggelopen lijkt te zijn. In die oplopende volgorde. Juist, dit is zo’n film. Maar wel met Kirsten Dunst.

In Bachelorette zijn drie vriendinnen de bruidsmeisjes van iemand waarmee ze niet écht goed bevriend zijn, maar wel doen alsof. Zeg maar een Facebookvriend. Wanneer ze elkaar op de avond voor het huwelijk eindelijk weer zien, besluiten ze al snuivend en drinkend dat het een goed idee is om de jurk van de bruid te passen. Uiteraard gaat dat mis en de jurk scheurt op een cruciale plaats in, waarna een race tegen de klok begint om de jurk weer toon- en draagbaar te maken. We volgen een nacht vol drank, wasserettes, cocaïne, verloren liefdes, bruiningsspray, gladde kerels, Xanax, strippers, bloedneuzen en zwembaden, en we leren vooral dat elk van de drie dames zo haar eigen problemen heeft. Niemand is perfect, zo blijkt maar weer, en zeker deze vriendinnen niet.

Is de film dan de moeite waard? Ja, toch wel. Ondanks het wat dunne verhaallijntje laat Kirsten Dunst zien dat ze prima een komische rol kan vervullen. En alsof dat nog niet genoeg is, is ook de blik van Lizzy Caplan een reden om deze film te gaan zien. Caplan’s ogen (en algehele voorkomen, overigens) zijn de vleesgeworden ‘kan-me-niet-schelen’-generatie. Ze kijkt iedereen, gevraagd of ongevraagd, dood. Of ze nu de schaal van orale bevrediging probeert uit te leggen, of haar gesprekspartner inderdaad een doodsverwensing naar het hoofd slingert. Ik heb er in elk geval hartelijk om gelachen. Maar ik ben dan ook een beetje een vreemd geval. Hoe dan ook: verwacht van Bachelorette geen hoogdravende, artistieke cultfilm, maar eerder een vermakelijke chaos. Net als Met Man en Muys, eigenlijk.


22
sep 12

Marco Borsato – Dromen Durven Delen

Marco Borsato is aan een emotionele toer begonnen, om door het land menig labiele dan wel sentimentele fan tranen in de ogen te zingen. Marco is meestal dusdanig in harmonie met zijn vrouwelijke kant dat een avondje voelen welhaast een garantie is. ‘Vanwaar deze aandacht van jouw kant, Looier?’. Ik hoor u denken: ‘Jij bent toch een vent met een ziel knoestig als de bast van een treurwilg, even gevoelloos als lusteloos?’ Welnu, dat klopt! Ik schrijf deze kritiek zonder enige relevante kennis van Marco Borsato en zijn toer. Daarom, zal ik alleen de poster, die enige tijd een zuil van een brug in Amsterdam versierde, beoordelen.

De poster ziet er als volgt uit. Bovenin staat Marco Borsato, Dromen Durven Delen met daaronder in grote letters en vergezeld van enkele vrolijke muzieknootjes Dichtbij. Dat is in ieder geval al een hele verbetering. Hiervoor was de vrolijk lachende Borsato binnen, binnen in mijn hart, binnen in mijn ziel. Van binnen. Die tijd hebben we gelukkig gehad. Dichtbij is comfortabeler, zal ook zijn manager hem hebben verteld.
“De mensen houden niet meer zo van binnen, Marco”
“En als ik nu eens dit doe?”
“Da’s wel erg dichtbij”

De tijd van binnen is voorbij. Maar weet Marco wel wat hij zich op de hals haalt, terwijl hij daar zo zorgeloos op die stoere auto leunt. Dromen Durven Delen, dat kan alleen rampzalig uitpakken. Weet hij wel wat hij te horen krijgt als hij zijn krijsende, geile fans hun dromen laat delen. Marco, wees gewaarschuwd, geloof mij. Sinds mijn aanstelling bij Met Man en Muys werd ik bedolven onder brieven. Wat daar in geschreven stond wens ik zelfs mijn ergste vijand , en ook jou niet toe. Bovendien weet ook jij maar al te goed dat de meeste dromen bedrog zijn. Dat heb je je fans toen goed geleerd door middel van eindeloze indoctrinatie op zeurderige melodie en schreeuwerig gezang.

Tot slot, beste Marco, zou ik nog enkele suggesties willen doen. Ik heb een lijst met daarop jouw liedjes opgezocht en zou willen voorstellen dat je de volgende deunen achterwege laat bij je eerstvolgende concert: Je hoeft niet naar huis vannacht, afscheid nemen bestaat niet, denk aan mij, doe wat je altijd deed en ik kan het niet alleen. Daarentegen zijn de volgende nummers misschien een beter idee, gewoon om weer even te laten weten waar de grens ligt: Ik leef niet meer voor jou, Dit heb ik niet verdiend en Laat me gaan misschien nog als toegift.


31
aug 12

Walter Salles – On the Road

Over de verfilming van boeken wordt uiteenlopend gedacht. De één vindt het een prima manier om in aanraking te komen met verhalen die hij of zij anders toch nooit zou lezen, terwijl de ander het al een grove schoffering van schrijver Jack Kerouac vindt dat niet diens naam, maar die van regisseur Walter Salles boven dit stuk prijkt. Want voor wie het nog niet begrepen had: On the Road is een verfilming van Jack Kerouac’s gelijknamige boek. Zonder mij in de discussie van boek versus film te willen storten, luidt de grote vraag natuurlijk of de verfilming een beetje recht doet aan het boek.

Laat ik eerlijk beginnen: ik heb het boek van Kerouac niet gelezen. Ik heb er wel verhalen over gehoord, samenvattingen van gezien en het zelfs eens in handen gehad (zojuist nog), maar ik heb nog nooit een fysieke letter uit het boek gelezen. Als gevolg daarvan kon ik de film tamelijk onbevangen en onbevooroordeeld bekijken. Zo viel het mij op dat het verhaal in wezen heel simpel is: een (tot dan toe) niet al te succesvolle en fantasierijke schrijver rijdt samen met een vriend kriskras door de Verenigde Staten. Ze zien echter voornamelijk Denver en New York en roken aan de lopende band sigaretten. Onderweg gebeurt er niet zo ontzettend veel spannends: ze drinken over het algemeen whisky, eten amfetaminen, lezen eindeloos uit hetzelfde boek en duiken met graagte op alles dat een hartslag heeft. Dat is echter meestal Kristen Stewart, die de mannen op een groot deel van de trip gezelschap houdt en zodoende (vanzelfsprekend) naakt tussen de heren op de voorbank van de auto belandt om hen beide handmatig een plezier te doen. En wat dies meer zij. De reisgenoot van de beginnend schrijver laat op hun reizen een spoor van vernieling achter, compleet met baby’s, diefstal, scheidingen, marihuana en ontrouw, terwijl de schrijver dit alles maar een beetje aanziet en zelf verder niet zoveel beleefd.

Zonder het boek gelezen te hebben bekroop mij bij het zien van de film een gevoel van leegte: het semi-intellectuele, mystieke gebabbel boven een glas bier, de bijna geforceerde rücksichslosigkeit in het (geslachts)verkeer, de lange, peinzende stiltes in de dialogen, de niks betekenende mijlen. Oppervlakte. “Precies,” zo vertrouwde Thomas mij toe, “leegte. Dat is wat het is. Daar draait het boek om. En dat komt in de film wel mooi naar voren.” Thomas is de slimste op de redactie. Hij heeft On the Road wel gelezen. De film legt twee en een half uur rekenschap af van de eveneens in het boek gevoelde leegte. En alsof dat nog niet genoeg is kom je ook veelvuldig aan je trekken als je liefhebber bent van de borsten van Kirsten Stewart (als u ons via laatstgenoemde zoektermen heeft gevonden: welkom!). Uiteindelijk moet de conclusie luiden dat Walter Salles met mooie beelden vertelt wat Kerouac bedoelde te zeggen. Tenminste, dat denk ik. Als ik het boek gelezen zou hebben.


12
jul 12

Piet Paulusma

Er zijn maar weinig artiesten zo productief als artiest-tegen-wil-en-dank Piet Paulusma. Al sinds 1996 groeit zijn oeuvre letterlijk met de dag, en een einde is voorlopig nog niet in zicht. Zelfs binnen de artiestenwereld wordt Paulusma vol bewondering bekeken: welke andere artiest krijgt het immers voor elkaar dat van elk optreden een televisieregistratie wordt gemaakt en dat die nog dezelfde avond wordt uitgezonden? Dan ben je groot. Heel groot. En desondanks is Paulusma door de jaren heen trouw gebleven aan zijn eigen stijl. Sterker nog: als Piets stijl door één ding gekenmerkt wordt, dan is het wel de herkenbaarheid. Daarmee zorgt Paulusma ervoor dat zowel fans van het eerste uur als nieuwe toehoorders geboeid worden en blijven. Maar wat is precies het geheime recept? Hoe ziet die stijl eruit?

Sommige artiesten houden van afwisseling en verscheidenheid. Bij bijvoorbeeld muzikanten kan het soms spannend zijn wat een nieuw album precies zal brengen: welke weg is gekozen, hoe is de stijl getransformeerd en wat voor algehele indruk zal het album geven? Bij Piet Paulusma bestaat deze spanning niet. Van Paulusma weten we dat hij bij elk van zijn optredens ergens in Nederland (of eigenlijk Friesland) staat, omringd door een groep mensen. Vervolgens legt hij uit waarom hij uitgerekend op deze camping, bij dit clubhuis of in deze buurt staat (meestal in verband met een opening, een gesponsorde actie of een jubileum). Net zo voorspelbaar is Piets volgende stap: het bruggetje naar het weer, zijn specialiteit. Echte fans weten dat dit bruggetje bijna altijd letterlijk hetzelfde is: “Nou, dan hoop je wel op een lekker zonnetje zeker?” “Inderdaad Piet.” Met zijn gebruikelijke finesse en tact weet Paulusma nog vier of vijf volstrekt identieke antwoorden op dezelfde vraag aan de groep omstanders te ontlokken, voordat hij daadwerkelijk met de bespreking van het weer begint.

Bij de bespreking van het weer verdwijnt Paulusma soms even uit beeld om plaats te maken voor een weerkaartje, dat op zijn beurt weer wordt vervangen door beelden van lachende en spelende kinderen. Paulusma vertelt ondertussen onverstoorbaar wat het weer van morgen ons zal brengen. Hierna keert Paulusma weer terug in beeld, maar nu staat hij ineens midden in een andere geforceerd bijeengebrachte groep mensen. Dit biedt hem wederom de mogelijkheid voor een stukje ongedwongen interactie. Zijn interview volgt vaak de volgende lijn: “Vind jij het nog een beetje leuk op de camping?” “Ja.” “En jij?” “Ja Piet.” “En jij?” “Ja.” “Mooi zo. En voorlopig blijft het ook wel even mooi. Voor morgen…”, waarmee hij zijn weervoorspelling vervolgt. De subtiliteit waarmee Paulusma deze verschillende modi van spreken aan elkaar verbindt, is ronduit verbluffend. Hij is hierin zo goed dat je je achteraf regelmatig afvraagt of er überhaupt mensen om Paulusma heen stonden.

Na het terrasweer en het watersportweer komen we bij het meest voorspelbare deel van elk van Piets optredens: de afsluiting. Daarbij valt op dat de laatste paar zinnen nooit iets met het weer te maken hebben. Een prettige relativering van het belang van het weer. Paulusma wendt zich doorgaans nog eenmaal tot het verzamelde campingvolk, stelt nog een quasinonchalante vraag en werkt dan naar de gebruikelijke grand finale: de heilige mantra van oant moarn. Paulusma werkt voelbaar naar dit moment toe, en de spanning binnen de groep ontlaadt zich gelijktijdig met Paulusma wanneer hij ons met de Friese spreuk zegent. Als de omstanders enigszins zuchtend oant moarn hebben uitgesproken, volgt daarop steevast Paulusma met de laatste woorden: “tot morgen!” Piet houdt er schijnbaar rekening mee dat veel kijkers na 16 jaar nog niet in de gaten hebben wat oant moarn betekent, waarmee enige realiteitszin hem in elk geval niet ontzegd kan worden.

Paulusma raakt keer op keer de juiste snaar, weet steeds te fascineren. Ook zijn laatste werk, van gisteravond, was weer als vanouds goed. Paulusma zou als voorbeeld moeten dienen voor elke zichzelf respecterende artiest. Verander niets, dat is de les. Ik weet zeker dat de Beatles nog veel groter zouden zijn geweest als ze in plaats van 47 verschillende albums 47 keer Stg. Pepper’s Lonely Hearts Club Band zouden hebben uitgebracht. Daarvoor is het helaas te laat, maar gelukkig kunnen we nog wel dag in dag uit genieten van de levende legende uit het Friese Tzum. Elke avond, op SBS6.


19
mei 12

Deze ‘Kritiek!’

Eenieder die het lef heeft een recensie over het één of ander te schrijven, doet er goed aan om ook eens te reflecteren op de eigen recensie. In dat kader, en omdat de redactie de spreuk ‘bezint eer ge recenseert’ hoog in het vaandel heeft, recenseren we vandaag deze recensie.

Allereerst kijken we naar de introductie. Deze is keurig opgebouwd: een duidelijke, pakkende openingszin die gelijk al de richting van dit stuk aangeeft. De tweede zin vult vervolgens in, zij het wat stuntelig geformuleerd, wat er in deze tekst precies gaat gebeuren. De tweede alinea volgt hierna de klassieke lijn van de opbouwende kritiek: een positieve opening benadrukt de geslaagde kanten, maar in de loop van de tweede zin ontwaren we reeds de eerste kritische noot. Daarbij blijkt dat de recensent aan weinig terugkoppeling doet: zijn kritiek op de ‘stuntelige’ formulering is minstens zo stuntelig geformuleerd als de bekritiseerde zin zelf. Meteen daarna blijkt ook dat het taalgevoel van de recensent niet absoluut is: te spreken van ‘geslaagde kanten’ van een alinea is allerminst fraai te noemen.

De aangevoerde kritiek op het gebrek aan terugkoppeling doet misschien wat flauw aan, maar is scherp gevonden en absoluut geldig. Ook het commentaar op de esthetisch minder welgevormde zin is terecht. Dat het de recensent er niet om te doen is de auteur volledig tot de grond toe af te branden, blijkt uit de derde alinea. Deze heeft meer de vorm van een overwogen analyse, en hierin krijgt de recensent wat bijval voor zijn punten. In de laatste zin vinden we toch nog een kritische noot: een ‘esthetisch minder welgevormde zin’ doet wat geknutseld aan.

De vierde alinea begint heel neutraal, en na de eerste zin kan deze nog alle kanten op gaan. En ook in de tweede zin wordt niet duidelijk waar de recensent nu precies heen wil. Toch zien we meteen daarna de onpartijdigheid van de zogenoemde criticus: zowel het aansturen op onpartijdigheid en de suggestie dat de recensent die naam eigenlijk niet waardig is, getuigen van de gekleurdheid van de auteur zelf. Dit zet zich verder door wanneer de recensent dit expliciet maakt, en in zijn interpretatie van het voorgaande zijn eigen onpartijdigheid aan de dag legt. Langzaamaan rijst dan ook de vraag of de recensent het recenseren zelf wel in de vingers heeft. Die beschuldiging wordt in de laatste zin dan ook ongenadig hard afgedaan als een beschuldiging.

Gelukkig herpakt de recensent zich in de laatste alinea. Hier geen beschuldigingen of aantijgingen, maar gewoon een degelijke analyse van wat er in de laatste alinea gebeurt. In de op twee na laatste zin wordt nog stilistisch vooruit gewezen naar het feit dat de recensent het geheel passend en volgens het boekje afsluit met een uitspraak die terugverwijst naar het begin van de tekst. Daarmee levert de criticus toch een kunststukje af. Want wanneer er in een recensie op de conclusie bezonnen wordt, kan met er met vertrouwen gerecenseerd worden.


16
mrt 12

Voer voor ergernis

Ik kijk weinig televisie. Ik heb dan ook een hele slechte tv, nauwelijks groter dan een A4tje, met een vervormd, ruizend beeld. Wanneer ik dan toch televisie kijk, merk ik dat er vooral veel hele slechte televisie gemaakt wordt. De enige programma’s waar mijn ogen nog wel eens op blijven rusten, zijn van de VPRO, BBC of zijn kookprogramma’s. Ik houd van kookprogramma’s, maar dat is niet gek; ik houd ook van koken en eten. Favorieten van mij zijn de programma’s van Jamie Oliver en ‘A Man with his Campervan’. Dit zijn ontspannen, feel-goodprogramma’s waarbij de presentator met humor zijn passie voor koken en het goede leven probeert over te brengen. Ook het Engelse, en later ook Australische, Masterchef kan mij bekoren. Hierbij gaan een paar culinaire talenten een wedstrijd aan, wie het beste kan koken. Ze worden daarbij bijgestaan door en beoordeeld door een paar zeer vakkundige lekkerbekken, en moeten ze leuke, creatieve opdrachten doen op wonderschone locaties in de steden en het platteland van Groot-Brittanië/Australië. En dan heb je nog het Nederlandse Topchef…

Het Topchef-concept is hetzelfde als die van Masterchef. Je hebt een paar kandidaten die strijden om de titel van topchef in een culinaire krachtmeting (wat een verschrikkelijke televisie-zin is). Toch werkt het lang niet zo goed als het Britse/Australische programma. Dat heeft er deels mee te maken dat Topchef een stuk harder en competatiever, deels met dat de deelnemers, hoewel allemaal professioneel bezig in de culinaire sector, allemaal stuntelende onbenullen lijken, deels is het te wijten aan het graflelijke decor. Het grootste euvel met Topchef is echter het duo dat de presentatie en jurering voor haar rekening neemt.

Presentatoren, deskundige jury, en zelfverheelijkende middelpunten zijn namelijk chef-kok Julius Jaspers en meesterkok Robert Kranenborg. Dit is een stelletje zuurpruimen, waar de oude mannen van de Muppets met ontzag naar zouden kijken.

Chef-kok Julius Jaspers is een man zoals je zou verwachten bij de naam Julius, maar dan met honderd kilo extra vlees om de botten. Zijn vettige, lange haar is steevast strak over zijn hoofd naar achter getrokken, er loopt een constante stroom van zweetdruppels langs zijn slome ogen over zijn ongeschoren wangen, en als hij praat klapperen zijn onderkinnen venijnig mee. Julius Jaspers presenteert zichzelf als alwetend, culinair genie, maar heeft (naar mijn, toegegeven, ongetraind oog) zo’n gedateerde smaak dat het lijkt alsof hij al vijftig jaar niet in een restaurant is geweest. De gerechten die hij de kandidaten vraagt te maken zijn weliswaar vaak klassiekers, nooit zit er een hip, luchtig, vrolijk gerecht tussen. Altijd is het die waldorfsalade, crêpe suzette of bouillabaise. Hoewel lekker, zijn die gerechten al duizendenden keren gemaakt op televisie.

Meesterkok Robert Kranenborg is zo mogelijk nog onmogelijker. Het eerste feit dat me de bloed onder de nagels vandaan haalt, doet zich al voor voordat hij zijn mond geopend heeft. Hij wordt altijd aangeduid als ‘meesterkok’, waar Jaspers als ‘chef-kok’ wordt beschreven. Ik heb ondertussen begrepen dat dit een bestaande culinaire titel is, maar het blijft vervelend. Het is als die collega op werk, die altijd als ‘assistent-manager’ omschreven wil worden, in plaats van collega. Daarnaast heeft Kranenborg een combinatie van weinig geduld met een gebrek aan didactische vaardigheden. In één van de weinige fragmenten van het programma die ik heb weten te doorstaan, staat hij eerst een jongen wiens gerecht mislukt is uit te foeteren omdat die niet bij Kranenborg om hulp kwam vragen toen het mis ging. In het volgende onderdeel laat hij zien hoe je krabkoekjes maakt, en dus ook hoe je krab schoonmaakt. Hij doet dit met een tik van een hamer en drie snelle handbewegingen en is met twee seconde klaar. Vervolgens heeft een vrouw moeite met het pellen van haar eigen krab. Denkend juist te handelen vraagt ze de meesterkok om hulp. “Weet je niet hoe je een krab schoonmaakt,” vraagt hij glimlachend. “Ik heb het nog nooit gedaan,” antwoord zij. “Maar ik heb het je toch voorgedaan?” Met een grote lach en een overduidelijk superioriteitsgevoel loopt hij weg, zonder te helpen. Zó’n man is het dus.

Jaspers en Kranenborg, jullie zijn twee heel vervelende mannen en jullie vervuilen een anderzijds zo aangenaam genre televisie. Houd daar eens mee op!


09
feb 12

Beirut – The Rip Tide

Een band uit New York waarvan de zanger zich in Parijs heeft laten inspireren door Balkanmuziek. Inderdaad, het lijkt onwaarschijnlijk dat er uit deze opeenvolging van feiten ooit iets vriendelijks voor het oor kan ontstaan. En toch bewijst Beirut het tegendeel met hun nieuwste album The Rip Tide.

Voor degenen die bekend zijn met de muziek van Beirut zal het nieuwe album wellicht even wennen zijn: de zigeunerinvloeden zijn wat naar de achtergrond gedreven om plaats te maken voor een wat makkelijker pop-geluid. Niets mis mee, maar de doorgewinterde zigeuner zal misschien wat beteuterd achter blijven. Maar zo zien we ze het liefst. Toch is The Rip Tide niet volledig verstoken van Balkantrekjes: de blazers, violen en accordeon zijn nog altijd nadrukkelijk aanwezig. Wat dat betreft is het net het huis van onze Claudio.

Ook niet te missen op The Rip Tide is het Mexicaanse sausje dat over het album is gegoten. Normaal gesproken is dat goed voor rode oogjes en liters water, bij Beirut krijg je er echter een prettige mix van stijlen van. Het album klinkt bijzonder gevarieerd, zonder haar eigen geluid te verloochenen. Zanger Condon (zijn echte naam ja) gaat in het nummer Goshen zelfs op de gevoelige pianotour, om daarna weer een wat gezelliger zeemanskroeggeluid in te zetten. De zeemansanalogieën zetten zich voort: uit de teksten spreekt namelijk een onverklaarbaar gevoel van zwerverdom.

Eén puntje van kritiek dan: het album ligt meteen zo gemakkelijk in het gehoor, dat het op lange termijn wellicht wat gaat vervelen. Tenminste, dat gebeurt mij wel eens. Maar ik ben dan ook verstoken van enige muzikale kennis. In elk geval alle lof voor Beirut, die met dit album wel weer hun onmiskenbare geluid hebben laten klinken. Voor eenieder die wel de lusten maar niet de lasten van zigeuners en Mexicanen wil, is The Rip Tide een goede keus. Voor elk ander ook trouwens.