19
mei 13

Zwembad-etiquette

Er zijn veel situaties waarin je als mens zonder gezichtsverlies te lijden moet zien te overleven en dus moet proberen geen ongemakkelijke toestanden te laten ontstaan. Om die dodelijke ongemakkelijkheid te voorkomen zijn er gelukkig wat ongeschreven maar alom bekende etiquette die op cruciale momenten van grote waarde blijken. Denk bijvoorbeeld aan de sociaal wenselijkste plek in de lift, het al wandelend ontwijken van de tegemoetkomende mens, het korte en schuchtere in de ogen kijken van een tegenligger of het kiezen van een maatschappelijk veilige plaats in bus of trein. Helaas is dit handboekje voor sociale wrijving niet helemaal compleet en ligt een faux pas altijd op de loer. Zo ervoer ik gisterenmiddag.

Ik zou in het zwembad een paar baantjes gaan trekken. Dat kan ik verder ook niet helpen, zelfs ik heb mijn zwaktes, maar naar het schijnt ben ik niet de enige. En gisteren was ik dat ook zeker niet. Dat maakte de noodzaak voor etiquette in het zwembad echter wel onomwonden duidelijk. Bij binnenkomst was er nog niet zoveel aan de hand: men kiest een hokje en sluit zich veilig af om ontspannen en al fluitend het geslachtsdeel in het zwemgoed te zwiepen. Prima. Kluisje zoeken, goederen en geld inwerpen, kluisje sluiten, wandelen naar de douches; tot dusver zijn er geen problemen. Maar als je bij de douches aankomt, begint de stortvloed aan sociale dilemma’s waarmee je je geconfronteerd ziet in het zwembad. Een greep uit de vragen:

  • Welke douche kies je? De ijzeren wetten van de lift komen hier wellicht van pas. Kies een douche in de hoek, liefst zo ver mogelijk bij een ander vandaan. Ga onder geen beding direct naast een ander staan douchen!
  • Waar kijk je naar als de douche loopt? Blijf je stoïcijns naar de muur kijken of draai je je om? Als je je omdraait, moet je voorzichtig zijn: overal waar je kijkt zijn naakte lichaamsdelen. Daarnaar kijken is een sociale doodzonde en bovendien uiterst pijnlijk. Dus wordt het het plafond, de vloer, of wellicht iets aan het eigen lichaam. Zolang er maar niets voor tevoorschijn gehaald hoeft te worden.
  • Sta je stil onder de straal water of beweeg je wat? Je wilt het water natuurlijk overal krijgen, maar je handen langs je hele lichaam laten gaan wordt niet altijd op prijs gesteld.
  • Waar ga je te water? Duiken we als volwassen, harige solozwemmer tussen de aan zwembandjes dobberende kindertjes in het voetenbad, of kiezen we voor een trappetje of duikplank in het diepere bad? Inderdaad, dan die tweede maar. Als je er niet zeker van bent of je zonder plat op de buik te klappen het water in kunt komen, zou ik kiezen voor het trappetje. Dat ziet er altijd een beetje lullig uit, zeker als je zwembroek lucht vasthoudt, maar het is allicht de sociaal veiligste route.
  • Welke plek in het zwembad kies je? Cruciaal, want met deze keuze kun je potentiële en sociaal zeer ongemakkelijke botsingen voorkomen. Pas in elk geval op voor het jongetje dat constant en onophoudelijk bommetjes maakt. Ook het meisje dat in de grote, rubberen band drijft moet vermeden worden: zij heeft geen enkele controle over het ding en drijft willekeurig door het bad en tegen jouw hoofd. Veiliger is de oudere vrouw van diep in de zestig die onverstoorbaar haar baantjes trekt. Zij houdt koers, maar gaat vrij traag. Ga uiteindelijk voor een plaats met voldoende afstand van deze zwembadgebruikers.
  • Begin je aan de borstcrawl als je die eigenlijk niet zo goed kan? Je hoofd in paniek en naar adem snakkend uit het water optillen levert veelal gefronste wenkbrauwen op. Zeker de professionele zwemmers met zwemmuts zullen het tafereel hoofdschuddend bekijken.
  • Hoe reageer je als je per ongeluk tegen iemand aanzwemt of iemand met een lichaamsdeel raakt? En vice versa? Het risico op zo’n aanvaring is het grootst in de buurt van de zwembadstereotiepe vader die met zijn kinderen aan het stoeien is. Een opmerking of verontschuldiging wijst op de ongemakkelijkheid van de situatie, maar is wel het netst. Niets zeggen kan ook: in een zwembad gelden nu eenmaal andere gedragsregels.
  • Kijk je tegemoetkomend zwemmers aan? En moet je groeten? Dit is op straat al lastig genoeg, laat staan in een lawaaiig zwembad.
  • Ga je bij de einddouche uitgebreid staan zepen of neem je genoegen met een korte spoeling? Beide zijn prima, maar eenieder weet dat je niet écht schoon wordt door zepen met zwemkleding aan. In extase zepen is in elk geval af te raden.

Je kunt natuurlijk ook baantjes gaan trekken op de daarvoor bestemde tijden. Dan heb je met bovenstaande vrijwel nooit te maken.


11
mei 13

Huizenmarkt

Al zolang Met Man en Muys bestaat, is het crisis. Of er tussen die twee een oorzakelijk verband te vinden is, blijft voorlopig speculeren. Opvallend is het in elk geval wel. Toch hebben wij van Met Man en Muys altijd onze verantwoordelijkheid genomen en steeds weer gepoogd ons land in de ongenadigste stormen en op de hoogste der zilte baren naar kalmere wateren te loodsen. Hoewel onze economische adviezen niet altijd zichtbaar in de Tweede Kamer behandeld worden, koesteren wij de stille hoop dat de geest van onze gedachten voortleeft. Vandaag spreken we, binnen datzelfde macro-economische kader, met Willem van Reeuwijk, freelance economisch adviseur.

“De huizenmarkt zit in het slop,” begint Van Reeuwijk. “Nog nooit wisselden zo weinig huizen van eigenaar. En dat terwijl er juist een recordaantal mensen wil verhuizen. Die vreemde tegenstelling heb ik geprobeerd op te lossen,” zegt Van Reeuwijk met zichtbaar genoegen. Hij staat op, loopt richting één van de drie whiteboards die er in deze ruimte staan en tekent een drie huizen en drie bijbehorende harkmannetjes. “Deze drie poppetjes willen verhuizen. Alleen, geen van deze drie kan weg omdat hij of zij (één harkmannetje blijkt een vrouwtje) het geld uit de verkoop van zijn of haar huis nodig heeft om het nieuwe huis te kopen. Pas als één iemand de gok waagt en gaat kopen, komt de rest in beweging. Maar tot zover niets nieuws.” Ik schud bluffend van ‘nee’ en kuch ook iets instemmends. Van Reeuwijk gaat weer zitten. “Mijn idee probeert zo’n eerste initiatiefnemer te omzeilen. En wel door iedereen tegelijkertijd in beweging te brengen. Wil je nog koffie?”

Als Van Reeuwijk hemzelf en mij een flauwe bak koffie met overjarige koffiecreamer (“2009 was een goed creamer-jaar, haha”) heeft voorgezet, vervolgt hij zijn verhaal: “In de kern komt het hierop neer: we gaan collectief anti-kraak wonen.” Ik ontwaar een triomfantelijke twinkeling in zijn ogen. “Dat betekent dat letterlijk iedereen op hetzelfde moment zijn of haar huis verliest, en kan kiezen: wandel ik naar een ander huis, of anti-kraak ik mijn voormalige woning. Zo is de keuze vrij en brengen we toch het grote aanbod in harmonie met de grote vraag. En bovendien werkt dit geheel kosteloos. Daar wordt iedere Nederlander blij van.” Op de vraag wat er gebeurt met het huis als toekomstinvestering blijft het even stil. Dan zegt Van Reeuwijk: “Daarover zal mijn volgende advies gaan. Komt u over een paar maanden nog eens terug.”


20
apr 13

Koningsliedkritiek II: The Sequel

Zoals waarschijnlijk eenieder van u al weet is gisteren officieel het voltooide koningslied van John Ewbank gepresenteerd en, waarschijnlijk zoals eenieder van u, heb ik het ook geluisterd. Verder is er, zoals eenieder van u al weet, een verontrustende hoeveelheid kritiek op gekomen. Zoals tot slot eenieder van u al weet, heb ik enkele weken geleden al een stuk geschreven over de kritiek die er kwam naar aanleiding van de eerste versie van het lied, die toen werd gepresenteerd in De Wereld Draait Door. Daar sta ik nog steeds achter. Mocht u het vergeten zijn; leest het nog even na. Klik.

Op het moment van schrijven is het gisterenavond. Ik heb zojuist een bescheiden tijd doorgebracht op Facebook. Mijn nieuwsfeed (zoals dat volgens mij heet, zo niet; verbeter mij!) stroomt over met mensen die aan het zeuren zijn over het gewraakte nummer. Ik vraag mij erg af waarom. Zoals uitgelegd in mijn vorige stuk (wederom; klik) voldoet het nummer aan alle criteria die ik kan bedenken voor een lied met deze functie. Het is makkelijk meezingbaar, het ligt gemakkelijk in het gehoor, het is herkenbaar en goed te onthouden. Toegegeven, het is erg goedkoop, over-the-top emotioneel, maar wat verwacht u van een nummer geschreven voor een volk om haar koning toe te zingen? Heeft u wel eens een willekeurig volkslied gehoord?

De situatie doet mij erg denken aan een paar maanden terug, toen er een internet-gebeuren was omtrent een liedje wat een meisje van 13 samen met haar vriendinnetjes had opgenomen. Dit internet-gebeuren bereide zich uit tot een echte-wereld-gebeuren en voor je het wist hoorde je iedereen op de radio, televisie en in de krant klagen over het liedje ‘Friday’ van Rebecca Black. Ik las in de Volkskrant, wat zich nota bene een kwaliteitskrant mag noemen, over hoe vals het meisje wel niet zong, waar niets van waar was. In tegendeel, alle valsheid was rechtgetrokken door middel van Auto-Tune, waardoor haar stem een lelijk vlak en gesynthetiseerd geluid kreeg. De schrijver van het betreffende Volkskrant-stuk wist blijkbaar, net als het grootste gedeelte van u, niet wat vals in muzikale context betekend, namelijk wanneer een toon een hogere of lagere frequentie heeft dan wenselijk is in relatie met andere klinkende of geklonken tonen. Het betekend dus níet schel, geknepen, dissonant, of gewoon lelijk, waarvoor de term onder leken meestal wordt gebruikt.

En dat is precies mijn probleem. Mensen winden zich op over zaken waar zij te weinig verstand van hebben om terecht boos over te zijn of een waardevolle mening over te hebben. Ik ben zelf professioneel muzikant en mag mijzelf, wat mij betreft, best een kritische luisteraar noemen en ik kan u vertellen dat er veel lelijkere, stompzinnigere dingen zijn dan die waar u zich zo boos over maakt. Als ik Rebecca Black hoor vraag ik mij af waarom dit mensen zo schoffeert en muziek van artiesten als Justin Bieber, Esmée Denters en dergelijke niet. Die laatste categorie is beter geproduceerd, dat geef ik toe, maar muzikaal echt niet hoogstaander. Dezelfde verbazing heb ik bij het koningslied tegenover de muziek van Nick en Simon, Jeroen van de Boom of een willekeurig songfestival-lied. Waarom roept de eerste zoveel afkeer op, terwijl Jeroen van der Boom zoveel verwerpelijkere klanken heeft geproduceerd?

Ik denk dat er een hoog gehalte napraterij is bij de kritiek. Het is makkelijk en vermakelijk om je boos te maken over iets waar de rest van Nederland (of de wereld) zich ook boos over maakt. Het is fijn zo af en toe eens flink te foeteren, en muziek is iets waar schijnbaar iedereen een mening over mag hebben en wanneer iedereen het met je eens is, kan je je helemáál risicoloos uitleven.

Ik zou het fijn vinden als iedereen voortaan even kan nadenken over waarom hij/zij wat vindt alvorens zijn/haar mening wereldkundig te maken. Ik probeer zelf zoveel mogelijk te leven naar het principe van ‘het maakt me geen drol uit.’ Heeft iets geen directe invloed op mij? Dan maakt het me geen drol uit. Heeft iets wel invloed op mij, maar een beperkte uitwerking? Dan maakt het me ook geen drol uit. Wordt er iemand geholpen, terwijl het mijn beurt was? Krijgt een bankmanager een exorbitant hoge bonus, zonder duidelijke tegenprestatie? Wordt mijn witte handdoek roze omdat ik hem gewassen heb met een rood shirt? Het maakt me allemaal geen drol uit. Ik heb op een bepaalt punt een beslissing genomen, om mij niet meer op te winden over dingen waar ik niets aan kan veranderen en dat bevalt me sindsdien erg goed. Ik kan iedereen aanraden hetzelfde te doen en zich niet meer druk te maken over de kleine dingen die je dag verpesten.

Tot slot wil ik nog even kwijt dat bovenstaande alleen betrekking heeft op de muziek van de genoemde nummers, niet de tekst. Ik ben muzikant en geen tekstschrijver en heb geen verstand van songteksten. Hierover onthoud ik mij dus van commentaar.


16
apr 13

Gedachte

“Kent u de eerste signalen van dementie?” klinkt het op de radio.
Ik gok dat als ik ze niet ken, ik ze op z’n minst heb.


14
apr 13

Stedelijk Museum

Een tijdje geleden bezocht ik het vernieuwde Stedelijk Museum in Amsterdam samen met collega Beerschot. Vol verwachting sloten wij aan in de rij voor de toegangskaartjes. Binnen enkele minuten was iedereen verdwenen en stonden we binnen in het gekunstelde witte gebouw dat door de Amsterdammer al liefkozend “de badkuip” wordt genoemd. Een warm bad was het niet. Elk schilderij, elke installatie schreeuwde om mijn aandacht en de plattegrond toonde mij dat er ook nog een bovenverdieping was, en een kelder. Ik ben het Museum doorgerend en heb alles gezien, maar van niets echt genoten.

De volgende dag ben ik teruggegaan en heb ik mijn stellingen op de schuifdeuren getimmerd. Ik heb alle kunstwerken beklad met waterverf en rondjes gereden op mijn brommer. Ik bepleit een museum met één schilderij! Dit schilderij moet groot zijn en mooi. Er moeten lekkere stoelen komen in de zaal waarin het komt te hangen; een bioscoop met één beeld en alle tijd om dat eens rustig te bestuderen.

museumscoop


10
apr 13

Broodje Bal

Sinds een tijdje zie ik zo nu en dan verontrustende aanplakposters in de stad. “Jouw broodje bal was er niet zonder MBO-ers (en deze poster ook niet)”, prijkt er op willekeurige borden door de stad. Ik zou hier in de eerste plaats wat dingen recht willen zetten. Mijn broodje bal was er wel zonder MBO-ers (maar die poster inderdaad niet). Ik ben WO-er, maar betekent dat dat ik zover van de realiteit verwijderd ben dat ik geen broodje bal kan klaarmaken? Nee, ik ken de samenstelling van een broodje bal. Men neme een kadetje en een gebraden gehaktbal en plaatse de een op de ander, wellicht vergezeld van een jus of pindasaus. Misschien worden we verondersteld verder te denken, de poster is immers gericht aan ons, hoogopgeleide snobs. Doelen ze op de herkomst van het kadetje, of de bal, moeten we denken aan de slachter in het slachthuis of de kadetjesbakker, stuk voor stuk nobele MBO-ers overigens, maar wie geeft dat gehakt zijn mooie rode kleurtje? Of nog beter, wie heeft de koe genetisch gemodificeerd? Dat waren wij.

Bovendien wekt de poster de verkeerde indruk. Ik heb veel respect voor MBO-ers, en ze zijn inderdaad van essentieel belang voor de samenleving. Al het belangrijke werk wordt gedaan door MBO-ers, het zijn bouwvakkers, schilders, schippers, vrachtwagenchauffeurs. Het werk van de WO-er daarentegen is van minimaal belang. WO-ers ontdekken bijvoorbeeld dat monniken in een klooster in Friesland begin 1235 graag dingen overschreven. Of ze ontwerpen een huis, maar dat hoeft in principe maar een keer gedaan te worden, één model is genoeg. Kortom, MBO-ers doen het echte werk, waarom dan een broodje bal? Daar heb je toch geen opleiding voor nodig? Een broodje bal kunnen wij ook assembleren, bouwen en varen kunnen wij echter niet.

De poster is dus beledigend voor zowel WO-ers als MBO-ers. De WO-er wordt gezien als iemand die verstoken is van enige praktische vaardigheden, bij wie het hele leven zich in het hoofd afspeelt. MBO-ers worden aan de andere kant gemarginaliseerd tot broodje-bal-vouwers.


02
apr 13

Koningsliedkritiek

Ik zag een paar dagen terug een filmpje op het internet waarin Kees van Kooten geïnterviewd werd. De interviewster was een irritante, pompeuze, pretentieuze vrouw van een, naar mijn mening, nogal middelbare leeftijd. Zij stelde eerst een paar vragen over het politiek engagement van Nederlandse schrijvers, of eerder het gebrek daaraan. Het was pijnlijk duidelijk dat de heer Van Kooten geen zin had in deze quasi kritische onzinvragen en als kijker kon ik daar maar al te goed in komen. Na een minuut of drieënhalf nam het gesprek echter een andere wending. Van Kooten uitte zijn onvrede over het recent bekendgemaakte ‘koningslied’, geschreven door John Ewbank, en zei dat het koningshuis aan haar opvoedende taak voorbij was gegaan door een zo weinig artistiek verantwoord nummer te kiezen. Hij zei dat hij liever had gezien dat er werd gekozen voor een componist als Corrie van Binsbergen.

Hoewel ik het sentiment waardeer; het verlangen naar erkenning van cultuur en kwaliteit, kan ik helaas niet zeggen dat ik het helemaal eens ben met meneer Van Kooten. Ik bedoel daarmee niet dat ik het nummer van Ewbank mooi vind (dat vind ik niet), of dat ik Corrie van Binsbergen een mindere componist vind (dat vind ik ook niet, sterker nog; ik ben een groot fan van Van Binsbergen en heb binnenkort zelfs de eer het podium met haar te delen). Ik ben het ook eens met Van Kooten dat de regering een opvoedende taak heeft, maar weet echter niet of dit het juiste moment is om deze uit te oefenen. Het idee van het koningslied is dat deze bij de kroning van prins Willem-Alexander door heel Nederland wordt gezongen. Dan kan je met een complex, modern klassiek stuk komen wat alleen door geschoolde zangers uitgevoerd kan worden, omdat je dat zo mooi vindt of omdat je vindt dat de Nederlandse bevolking dat mooi moet vinden, maar dan mis je wel de oorspronkelijke bedoeling van het koningslied. Het lied van Ewbank, hoe lelijk en voorspelbaar ook, is lekker degelijk, goed te onthouden, makkelijk te zingen en zal een groter deel van de bevolking aanspreken en aansporen mee te doen.

Daarnaast weet ik niet of Van Binsbergen wel de juiste keus was geweest. Zoals eerder vermeld vindt ik haar te gek, dat is het niet. Zij is echter op haar best in muziek die deels geïmproviseerd, deels gecomponeerd is. Ik vind zelf haar stukken het vetst wanneer er ruimte is gelaten voor improvisatie, en ik denk niet dat dat is wat je wilt bij een koningslied. Een koningslied moet herhaalbaar zijn en uitgevoerd kunnen worden door orkesten bij officiële gebeurtenissen. Improviseren is nou eenmaal een aparte tak van sport en niet iedereen kan dat. Orkesten als de marinierskapel bijvoorbeeld, die spelen veel bij officiële koningsdingen, zijn daar nou eenmaal niet goed in (neemt niet weg dat het een geweldig orkest is). Ik denk dat een gelegenheid als dit vraagt om een meer doorgecomponeerd stuk, en dan kan je naar mijn idee beter Michel van der Aa of Louis Andriessen vragen.

Nogmaals, ik vind het bijzonder goed dat Kees van Kooten op staat voor de cultuur in Nederland, en ik denk dat dat vaker moet gebeuren, niet per se alleen door Van Kooten, maar hij heeft hier wat mij betreft het verkeerde moment voor gekozen. Het idee was goed, de uitvoering wat minder.


15
feb 13

Volgroeien

Één van de grootste decepties van het kind-zijn, is de gevulde voorraadkast. Terwijl je opgroeit is het de normaalste zaak van de wereld dat je, als je een glaasje melk bij je ontbijt wilt, je alleen maar naar de koelkast hoeft te lopen om er één in te schenken. Brood lag altijd in de brooddoos en als het daar op was, was er een eindeloze voorraad in de vriezer. Pas wanneer je het ouderlijk huis verlaat wordt het duidelijk in wat voor luxe je verkeerde. Als je brood op is, verschijnt er niet automatisch een nieuwe in de vriezer. Nee, je moet door de kou en regen naar de winkel, omdat je anders de volgende ochtend niet kan ontbijten.

Een mens wordt pas volwassen als hij/zij doorkrijgt dat het bezitten van eten, drinken en andere voorraden geen vanzelfsprekendheid is, maar dat alles gekocht moet worden voor geld. Ik denk dat het moment dat ik in de winkel stond en me realiseerde dat je moest betalen voor wc-papier; dat het afvegen van je billen geld kost, één van de belangrijkste momenten is geweest voor de vorming van mij als man. Dat was het moment waarop ik erachter kwam dat de mens inherent slecht is en altijd overal een slaatje uit wilt slaan. Als je zelfs niet je reet af kunt vegen zonder dat er iemand aan profiteert, wat zegt dat dan over de mens als soort?

Vlak na de realisatie dat alles geld kost, komt de realisatie dat alles teveel geld kost. Niet alleen moet je betalen voor het opruimen van de rommel die veroorzaakt wordt door een geheel onvrijwillige lichaamsfunctie, maar dat kost dan ook nog eens drie euro per pak toiletpapier! Tenminste, wanneer je toiletpapier van een bekend merk met een hondje op de verpakking koopt. Ikzelf koop vaak het goedkoopste papier, het grijze soort. Dat is bijna drie keer zo goedkoop, en daar staat nog op dat het crêpepapier is ook (wat natuurlijk een wereld van woordgrappen opent).


06
nov 12

Fietsend Nederland

Onlangs stond ik voor een stoplicht te wachten. Op het kruispunt voor mij krioelde het van de fietsers: kriskras vlogen ze de kruising over, elk een andere, unieke route kiezend. Ik fietste verder in de richting van het station. Na een aantal van dit soort kruisingen en t-splitsingen gepasseerd te hebben, arriveerde ik bij het station. Ik nam mijn fiets in de hand en parkeerde het stalen ros in de uitpuilende fietskelder schuin onder het station. Daar, tussen de duizenden fietsen, onder de grond, viel mij iets in: Nederland is alleen mogelijk dankzij de fiets.

Sta mij toe dat iets toe te lichten: de fiets is een voorwaarde voor het bestaan en functioneren van Nederland. Het is namelijk niet mogelijk om met zestien miljoen mensen op zo’n klein grondgebied op een goede manier samen te leven en een enorme welvaart te creëren wanneer we allemaal, net als de Amerikanen, verknocht zouden zijn aan de auto. Nederland zou veranderen in één groot verkeersinfarct, waarin iedereen altijd vaststaat. Het is de fiets die ons mobiel houdt. Ook onze steden zijn mogelijk dankzij de fiets: in tegenstelling tot veel andere steden in het buitenland zijn onze steden heel compact.  Maar juist omdat je hier overal binnen een half uur naartoe kunt fietsen, kunnen er toch zoveel mensen dicht op elkaar wonen en werken. Ik durf daarbij zelfs te stellen dat een deel van de Nederlandse welvaart voor rekening van de fiets komt. Immers, wanneer iedereen lopend of met de auto naar het werk of de school zou gaan, zouden daarmee op jaarbasis vele uren verloren gaan.

Nu kun je zeggen: ja, maar het openbaar vervoer dan? Dat is toch ook efficiënt en slim? Klopt. Maar ons openbaar vervoer vervoert maar een fractie van de mensen die dagelijks op de fiets springt. Alle trams, treinen, bussen en metro’s bij elkaar zouden simpelweg niet in staat zijn om al die mensen op hun plaats van bestemming te brengen. Ik denk dat het veilig is om te zeggen dat de fiets ervoor zorgt dat het nog relatief aangenaam reizen is met het openbaar vervoer. Sterker: ik denk dat de fiets het leven in Nederland überhaupt aangenamer maakt. We wonen namelijk op één van de vuilste stukjes aarde, maar dankzij de fiets hangt er nog net geen permanente smogwolk boven het land. En bovendien blijft de Nederlandse bevolking met de fiets in beweging, waardoor reizen met het vliegtuig weer aangenamer is. Het is vanwege al deze factoren dat ik denk dat we de fiets best met wat meer bewondering en respect mogen benaderen. Hopelijk heb ik dan in de toekomst geen drie sloten meer nodig om te voorkomen dat ‘ie genadeloos gejat wordt.


14
okt 12

Debat

Als er iets is wat we hebben kunnen leren van de afgelopen verkiezingsstrijd, dan is het wel dat de Nederlandse debatten altijd ontaarden in een complete chaos. Uit de kakofonie van de boven elkaar uitbulderende politici verstaan we vrijwel niets meer. En als men dan in dat lawaai eindelijk op dreef raakt, zijn de vooraf vastgestelde vijf minuten om en moet er naar een volgend onderwerp overgeschakeld worden. Ferry Mingelen. Waarna een ander onderwerp weer veel te kort en zonder enige structuur wordt behandeld. Echt wijzer worden we er nooit van.

Hoe het ook anders kan, zag ik toevallig van de week. Twee mannen zitten rustig aan een tafel, zij bespreken per onderwerp een aantal van hun belangrijkste speerpunten en delen zo nu en dan een plagerige speldenprik uit aan hun opponent. Een gespreksleider zit tegenover de heren en zorgt dat elk voldoende tijd krijgt en waakt ervoor dat men niet door elkaar heen praat. Er is geen publiek. Het meest onwaarschijnlijke aan dit alles is dat dit tafereel op de hedendaagse Amerikaanse televisie verschijnt. Amerika, het land van show, neon-verlicht vermaak en lege vrolijkheid bij uitstek. Maar uitgerekend daar, in de VS, wordt een debat tussen de eventuele vice-presidenten zo gevoerd. Ik was verbaasd en prettig verrast.

Nu weet ik dat we in Nederland geen presidenten of premiers kiezen, maar zou het niet fantastisch zijn als de Nederlandse debatten ook zo ingevuld zouden kunnen worden? Een aantal uitzendingen lang zien we twee steeds wisselende lijsttrekkers naast elkaar en tegenover Ferry Mingelen zitten, alwaar zij rustig en per thema mogen vertellen wat ze vinden. Aan het eind van de reeks uitzendingen mag het duidelijk zijn wie waarvoor staat. Op een prettige en kalme manier. Helaas is men in Nederland van mening dat debatteren onder het toeziend oog van hinderlijk klappende en joelende mensen moet gebeuren, en dat we met grote regelmaat moeten peilen wat er op het internet over het debat wordt gezegd. Terwijl het mij toch echt geen donder interesseert wat men er ‘thuis van vindt’ of hoe klappenswaardig het studiopubliek die ene oneliner vindt. En dat is nog afgezien van al die spannende show elementen.

Ik had niet gedacht dat ik het met betrekking tot dit onderwerp zou zeggen, maar qua televisiedebatten kunnen we nog een hoop van die lui overzee leren.