Blij met V&D

V&D heeft een website geopend waarop iedereen hardop mag meedenken over een nieuwe strategie voor de winkelketen. Nadat V&D in de afgelopen maanden naar verluid langs de rand van een faillissement is gegaan, wordt nu alles op alles gezet om het bedrijf er weer bovenop te krijgen. Termen als ‘loonoffer’ en ‘huuronderhandeling’ vlogen ons daarbij om de oren, en met de website Blij met V&D kunnen we ‘strategiesuggesties’ aan dit bijzondere rijtje toevoegen.

Het is een wat merkwaardige stap, maar misschien wel één die ‘oude’ bedrijven vaker zullen moeten gaan overwegen. V&D is, net als zoveel ondernemingen, ooit begonnen omdat de stichtende ondernemers een ‘gat in de markt’ zagen. Zij zagen én creëerden een behoefte, en speelden daar met hun bedrijf handig op in. Eigen ideeën en waarnemingen vormden de basis van de strategie. Juiste strategische keuzes verleidden de klant en rechtvaardigden zo het (voort)bestaan van de winkel. Klassiek ondernemerschap.

Sinds de oprichting van de V&D is er echter ruim honderd jaar verstreken. De oorspronkelijke gaten in de markt zijn tot over de rand gevuld en de klant koopt inmiddels niet vaak genoeg meer bij de keten om het voortbestaan ervan te kunnen garanderen. Mede vanwege de leeftijd en de grootte van het bedrijf, doet het interessante verschijnsel zich nu voor dat de ondernemers niet langer zien welke gaten in de markt er nog bestaan en welke strategische keuzes er gemaakt moeten worden. Onder de klassieke bedrijfseconomische wetten zou V&D ten dode opgeschreven zijn: de onderneming doolt blind rond. Maar in plaats daarvan wordt de ondernemersvraag nu naar de klant omgebogen. Hoe denkt die zelf tot kopen te verleiden te zijn? De vraag zo direct aan de klant stellen, is wellicht de laatste sparteling van het bedrijf, maar het kan net zo goed de weg omhoog betekenen.

In het geval van V&D speelt er nog een andere overweging mee. De keten vormt één van de hoekstenen van de Nederlandse winkelgebieden. Ze huist doorgaans in de grootste, meest uitgesproken panden, op de belangrijkste locaties. Bij de V&D hoort voor veel Nederlanders bovendien een flinke scheut nostalgie. De winkel is onderdeel van het collectieve bewustzijn en een onmiskenbaar onderdeel van de Nederlandse openbare ruimte en winkellandschap. Ze is een bijna een soort openbare instelling. Vanwege dat collectieve belang zien veel Nederlanders het bedrijf liever slagen dan ten onder gaan, zelfs als ze er zelf nooit iets kopen. Hoewel dat laatste natuurlijk precies de reden is waarom V&D nu in haar voortbestaan bedreigd wordt, is de betrokkenheid van het publiek in elk geval een positief signaal. De vraag blijft echter of de klant weet wat ze wil.

Een Geruststelling voor Chauvinistische Varkens

De laatste jaren klinkt regelmatig het klaaglied van de echte man. Het zou hem niet meer lukken te zijn wie hij eens was, omdat onze maatschappij steeds vrouwelijker geworden is. Nederland is “doorgefeminiseerd”. In een opiniestuk in de Trouw zet Michael van Eekeren mannelijke en vrouwelijke waarden tegenover elkaar. Hij stelt dat de mannelijke waarden van ‘verstand’ en ‘realisme’ nu onderdrukt worden door de zwakkere en onhandigere vrouwelijke waarden als ‘gevoel’, ‘mededogen’ en ‘idealisme’. Laat de man dit zomaar gebeuren? Neen! Hij laat een dikke baard staan (welke zijn vrouw haat), eet een halve koe en drinkt liters whisky. Dat is allemaal onnodig. Onze wereld is nog altijd een mannenwereld, een geruststelling voor chauvinistische varkens.

Ik kocht laatst een fiets met nogal wat roestplekken en besloot daar iets aan te doen. Eerst zocht ik enkele huisvrouwenmiddeltjes tegen roest, want als echte man houd ik me daar normaliter niet mee bezig. Soda en azijn werden geadviseerd. Met dit advies op zak toog ik naar de supermarkt en kocht ik deze zaken en schoonmaakhandschoenen om het vieze klusje met schone en droge handen te volbrengen. De handschoenen die ik kocht waren de grootst beschikbare, maar bleken desonanks thuis niet groot genoeg. Ik paste ze enkel door de elasticiteit van het gebruikte materiaal. Het was duidelijk dat deze handschoenen niet bedoeld waren voor mijn grove, stoere mannenhanden, maar gefabriceerd waren voor kleinere, fijnere vrouwenhanden. Blijkbaar gaat de Albert Heijn ervan uit dat schoonmaken een vrouwenklusje is. Als Albert Heijn dat vindt dan is dat waarschijnlijk ook zo.

Grappen en grommen

Dit stukje verschijnt wat later dan dat ik net doe alsof u van ons gewend bent. Ik had namelijk een gedeelte van een stukje geschreven over het voorval omtrent de ontslagen Nieuw-Zeelandse X-Factorjuryleden, en hoe onterecht het was dat zij wel ontslagen waren, maar de regisseur, redactie en editors die de vergruisde uitspraken bij de juryleden hadden uitgelokt en daarna in de uitzending hadden gemonteerd wel hun baan mochten houden. Tijdens het onderzoeken kwam ik er echter achter dat de uitspraken werden gedaan in een liveuitzending en dat de door mij aangesproken personen op dat moment ook geen grip op de zaak hadden (begrijp me niet verkeerd, het is alsnog hoogstwaarschijnlijk dat de juryleden flink zijn opgejut en op z’n minst in de rol van strenge/negatieve van het stel zijn gezet door de redactie.)

Toen ik dit besprak met mijn collega’s hier bij MMeM, bleek het een vaker voorkomend probleem te zijn dat je halverwege een stukje erachter komt dat je oorspronkelijke standpunt onjuist was en je een paar uur aan werk onceremonieel de digitale prullenbak in kunt keilen. Ik stelde dat het verschrikkelijk onbevredigend is als je gerechtigheidserectie door je eigen onoplettendheid teniet wordt gedaan.
“Precies. Blauwe ballen van je eigen tekortkomingen. Op zo’n moment kun je beter maar sadomasochist zijn,” zei Joop den Toonder.
“Maar ja, daar kan je niet zomaar voor kiezen. Het is geen homoseksualiteit,” antwoordde ik.
Ik hoop dat ik hier niet hoef te vertellen dat dat laatste een grap is. Homoseksualiteit is geen keuze.

Het X-Factorvoorval en mijn eigen grapje deden mij denken aan vorig jaar toen zanger Gordon bij het programma Holland’s Got Talent een weinig grappige en behoorlijk denigrerende opmerking over een Chinese deelnemer maakte. Gordon vroeg; “Welk nummer ga je zingen, nummer 39 met rijst?” Rond die tijd speelde ook een kwestie rond een jongen die bij een sollicitatie was afgewezen. Hij kreeg per ongeluk een mail toegestuurd die bedoeld was als interne mail, waarin de redenen om hem af te wijzen werden opgesomd. Nummer één; hij is “een donker gekleurde (neger).” Dat was natuurlijk een grap, maar werd in veel media niet als zodanig behandeld. De man die de mail verzond is zelfs vervolgd voor discriminatie. Dat vond ik eng, omdat ik zelf ook wel eens soortgelijke grappen maak (zie de vorige alinea).

Er werd nogal wat gepraat over racisme en in welke mate dat moet worden toegestaan in humor. Er zijn echter twee behoorlijk verschillen in de grapjes zoals die van mij en de mailschrijver, en die van Gordon. De eerste is de manier waarop ze grappig proberen te zijn. Als ik zeg dat homoseksualiteit een keuze is, weet iedereen die mij enigszins kent dat ik dat niet meen, maar de mensen die die mening wel hebben persifleer. Ik probeer de absurditeit van die mening over te brengen. Ik doe geen aanval op de homoseksuelen, maar op diens aanvallers. Ik ben van mening dat de mailstuurder een zelfde soort grap maakte. Gordon’s grap daarentegen ‘werkt’ op een andere manier. Hij maakt een opmerking conform een stereotype en hoopt op herkenning bij zijn publiek. Het is een woordgrap die speelt met het feit dat het woord ‘nummer’ meerdere betekenissen heeft, maar werkt alleen als het publiek erkent dat Aziaten bij afhaalchinezen werken en dat het OK is om bij iedere Aziaat die connectie te maken. Waar de mailstuurder sarcasme en ironie gebruikte om vooroordelen te ontkrachten, bevestigt Gordon ze alleen.

Het tweede grote verschil is het beoogde publiek. Het was nooit de bedoeling dat de jongen in de negermailkwestie die opmerking onder ogen kreeg. Het was jammer dat dat wel gebeurde, en het is begrijpelijk dat hij aanstoot nam. Als de mail echter binnen het bedrijf was gebleven zou de beoogde ontvanger misschien wat gegniffeld hebben en zou de sollicitant niets gemerkt hebben. Mijn grapje was binnen de MMeM-redactie vermakelijk, maar als een homo dat zou zien zonder mij of de context te kennen en geschoffeerd zou zijn, zou ik diegene niets kwalijk nemen. Dingen zijn privé met een reden. Dat is niet altijd om een geheim geheim te houden, maar ook om een onbeoogd publiek te beschermen. Gordon brulde zijn grap echter over nationale televisie en, nog veel erger, in het gezicht van een deel van de bespotte bevolkingsgroep. Dat is moedwillig kwetsen en mijns inziens veel kwalijker dan het achter de rug om maken van een grap.

De Stad Nederland

In Nederland hebben we geen natuur. Het beetje groen dat we hier hebben mag de naam natuur niet dragen, omdat het per definitie alles is wat niet door mensen gewijzigd is. Wij hebben overal met onze handen aangezeten en in genade besloten dat sommige moerassen mogen blijven bestaan. Deze vervullen eigenlijk vaak de functie van stadspark. Het is ironisch dat het pronkstuk uit de film De Nieuwe Wildernis, staatsmonument de Oostvaardeseplassen, het gevolg is van de drooglegging van de Flevopolder, een machtig menselijk ingrijpen om de natuur te temmen. Misschien wordt het tijd om te accepteren dat de mens het hier van de natuur gewonnen heeft. Nederland is een stad geworden en dat is helemaal niet erg.

Wie wil er wildernis in ons landje? De natuur hier de vrije loop laten, heuse wildernis, zou gevaarlijk veel water betekenen. Grote delen van ons land horen niet permanent te bestaan. Onze voorvaderen hebben een prachtige prestatie geleverd en goed bewerkbare stukken land gecreëerd. In de loop der eeuwen hebben we Nederland vormgegeven en comfortabel gemaakt. Dat is fijn en goed. We leven in een fantastisch land. We kunnen niet alles hebben. Voor natuur hoeven we overigens niet eens zo ver te reizen. We zijn toch allemaal Europeanen. De Europese natuur is onze natuur.

In De Nieuwe Wildernis wordt geheel in de stijl van de bekende natuurdocumentaires van de BBC een al te romantisch beeld van de Oostvaarderseplassen geschetst. De filmmakers hebben duidelijk moeite gedaan om elektriciteitspalen, treinspoor en dijk buiten beeld te houden en proberen ons een plaatje voor te schotelen waarin het gebied een woest gebeuren is, waar dieren ongestoord hun circle of life voltooien. Het ziet er prachtig uit en het zette me aan het denken. Wat deze dieren wat mij betreft beter laten zien is aanpassingsvermogen in een land dat door mensen vormgegeven is, ons Nederlandse stadsleven. Als ze zich niet aanpassen gaan ze dood. Er zijn heel veel dieren die het loodje leggen in de documentaire.

Het feit dat de Oostvaarderseplassen een belangrijke rol speelt in de trek van een grote groep vogels bewijst niet dat dit gebied wild is, maar laat juist zien dat dieren niet per definitie ongerepte wildernis nodig hebben om hun gang te gaan. Het laat zien dat een klein rustgebiedje temidden van onze herrie en drukte genoeg is. Veel dieren passen zich aan en sinds wij ze niet meer afknallen voelen ze zich waarschijnlijk steeds beter op hun gemak. Bij Station Amsterdam Sloterdijk lopen ‘s nachts honderden konijnen rond. Een paar maanden geleden liep ik van het station naar huis en zag ik een vos. Ik vond het fantastisch om zo’n beest te zien rondwandelen over een asfaltweg. Na de stadsduif en de reiger nu de vos. Misschien hebben we straks stadswolven en stadsberen. De vos laat zien dat wilde dieren prima stadsdieren kunnen zijn. Vannacht nog zag ik een uil op een hek zitten bij hetzelfde station.

Misschien kunnen we ons beter richten op de ontwikkeling van een megastad, opdat wij hét stedelijke gebied van Europa zullen worden. Daar is ons onnatuurlijke land uitermate geschikt voor. We maken niks kapot door dit gebied verder te ontwikkelen. De kwetsbare natuur die we hebben, hebben we toch kortgeleden zelf gemaakt. Laten we deze rol van megastad omarmen en mensen wegtrekken uit de gebieden waar wel oeroude, kostbare en kwetsbare natuur is.

Hero’s geschiedenislessen.

Ik schrijf dit stukje met bedenkingen. Ik ga het namelijk hebben over de uitspraken van Hero Brinkman over klassieke muziek. Ik ben bang voor het Swiebertje-effect. Als professioneel muzikant komen mij vaak uitspraken of artikelen over muziek onder ogen, geschreven voor en door leken, waar fouten of onwaarheden in staan waar ik mij aan stoor. Ik ben erg gepassioneerd over muziek en deze ergernissen zijn een dankbare bron van inspiratie voor stukjes. Toen ik mijn zorgen uitspraak dat ik vast kom te zitten in het boze-stukjes-over-muziek-hoekje, zeiden mijn collega’s bij MMeM echter dat ik mij geen zorgen hoefde te maken, dat ik allang vast zat in dat hoekje. Dat heb ik maar geaccepteerd.

Afgelopen donderdag verscheen er een stukje op de website van HP/De Tijd met een interview met Hero Brinkman over cultuursubsidies, met name die naar klassieke muziek gaan. Brinkman zegt dat zijn partij breekt met het oude PVV-dogma dat cultuur een linkse hobby is, maar dat er wel eisen zijn aan cultuur wil die gesubsidieerd worden. So far, so good. Klassieke muziek voldoet volgens Brinkman echter niet aan die eisen. Wat volgt is een relaas waarin letterlijk elke zin feitelijk niet waar, beledigend, en/of veel te kort door de bocht is.

De eisen waar cultuurprojecten aan zouden moeten voldoen zijn dat het
1. voor een groot publiek toegankelijk en
2. geëngageerd moet zijn.
Het woord toegankelijk heeft in kunst twee verschillende betekenissen. De eerste, en de manier hoe ik het woord in eerste instantie opvatte, is dat het voor iedereen mogelijk moet zijn om de kunst tot zich te nemen. Daar zou wat voor te zeggen zijn. Wat later in het gesprek echter duidelijk wordt, is dat Brinkman bedoelt dat de kunst zelf toegankelijk moet zijn, in de betekenis dat het makkelijk te verteren en begrijpen moet zijn. Daarmee ga je aan het doel van subsidies voorbij. Subsidies zijn voor zaken die niet direct winstgevend zijn, maar wel belangrijk voor de maatschappij. Op die manier is ontoegankelijke muziek juist een goed doel. Cultuuruitingen waar een groot publiek op af komt haalt vaak genoeg inkomsten uit kaartverkoop en reclame. De onbegrepen innovator met een minipubliek heeft echter alle steun nodig die hij/zij kan krijgen.
Verder ben ik het met Brinkman oneens dat kunst geëngageerd moet zijn. Kunst is een weerspiegeling van de kunstenaar. Als de kunstenaar wat te zeggen heeft over de maatschappij waarin hij/zij leeft, heeft de kunst dat ook. Als de kunstenaar dat niet heeft, maar het eerder over bijvoorbeeld de menselijk psyche of de aard van schoonheid wil hebben maakt dat diens kunst niet minder waard of waardevol.

‘(…) Als je naar het Concertgebouworkest wilt, ben je zo honderdtachtig euro kwijt voor een kaartje. Dan zeg ik: als zo’n kaartje toch al zo duur is, dan kun je er net zo goed vijftig euro boven op gooien en de subsidiekraan dichtdraaien,’ aldus Brinkman. Dat is compleet onwaar. Je hoeft maar naar de site van het Concertgebouw te gaan om te zien dat een kaartje voor een orkestconcert er al vanaf negentien euro zijn en gemiddeld vanaf vijfentwintig euro. Daarnaast klopt dit argument natuurlijk niet. Het is hetzelfde als voorstellen om alle neushoorns af te schieten, zodat ze dan niet meer bedreigd zijn. Als je probleem laat escaleren tot er niets meer tegen te doen is, ben je inderdaad van het probleem af, maar een oplossing is het niet te noemen.

De volgende alinea uit het interview is uitzonderlijk beledigend. Brinkman zegt dat klassieke muziek door een componist geschreven is met een bedoeling, maar dat de meeste dirigenten en orkestleden ‘geen flauw benul hebben in welke tijd de componist heeft geleefd, welk gevoel hij met een compositie over wilde brengen en wat hij met het stuk wilde zeggen.’ Dat is lariekoek. Ten eerste gaat Brinkman er volledig aan voorbij dat er vandaag de dag ook nog muziek geschreven wordt en dat hedendaagse componisten vaak zeer vocaal zijn over achterliggende gedachten van een stuk. Dode componisten waren dat tijdens hun leven vaak ook. De interpretatie van een stuk is misschien wel het belangrijkste aspect van het uitvoeren van een klassiek stuk. Er wordt op een conservatoriumopleiding dan ook heel veel aandacht besteed aan interpretatie, en met welke conventies er in die tijd werd gespeeld is daar een belangrijk onderdeel van. Klassieke muzikanten zijn zeer goed op de hoogte van de wensen en ideeën van grote componisten. Om anders te suggereren is hun bekwaamheid in twijfel trekken en zeer beledigend.
Verder is het in klassieke muziek een veel en fel gevoerde discussie hoeveel je je moet aantrekken van de conventies van soms wel driehonderd jaar terug wanneer je voor een hedendaags publiek speelt. Het is natuurlijk interessant om te horen hoe muziek toentertijd klonk, maar de vraag is of kunst een geschiedenisles moet zijn. Verder is het de vraag of een componist het alleenrecht heeft om te bepalen hoe zijn stukken klinken, of dat de uitvoerend muzikant niet zelf ook ideeën kan hebben die het waard zijn om naar te luisteren. Dat zijn interessante onderwerpen, maar geen waar Hero Brinkman bekwaam en bevoegd voor is om daar uitsluitsel over te geven.

Aan het einde deelt Brinkman nog een stoot uit naar het publiek. Dat zou te onwetend zijn. Vraag een willekeurige luisteraar naar de achtergrond en betekenis van waar ze net naar hebben geluisterd, en ze weten het niet. Naast dat dit vaak niet waar is, rijst de vraag of dat überhaupt wel nodig is. Als je kan genieten van iets waar je de ballen verstand van hebt, is dat dan slecht? Ik weet relatief veel over westerse muziek, maar luister zo af en toe naar klassieke Noord-Indiase of Arabische muziek. Dat is zo’n andere wereld, muzikaal gezien, dat ik er vaak weinig van begrijp, maar ik vind het wel erg mooi. Dat wil nog niet betekenen dat ik minder recht heb om naar de muziek te luisteren.
Brinkman lijkt hier te suggereren dat wanneer de klassieke wereld beter haar best zou doen om haar publiek te onderwijzen over de historische achtergronden, ze wél in aanmerking komt voor subsidies. Cultuursubsidies als investering voor geschiedenisonderwijs. Veel gekker moet het niet worden.

Haar en man-zijn

Ik ben geen typische mannenman. Ik houd niet van voetbal, ik weet niets van auto’s, drink even graag witte wijn als bier, en heb nog nooit een vechtpartij gewonnen. Het meest mannelijke aan mij, is dat ik een fikse baard heb.

Baardhaar is ruw, droog, dik en snel klittend haar en moet goed verzorgd worden. Sinds mijn baard enige lengte begint te krijgen, ziet mijn badkamer er dan ook opeens heel anders uit. Ik heb verzorgende shampoo, conditioner, baardwas, baardolie, een baardkam, een baardborstel, een snorrenschaar en meer van dat soort zaken. Aangezien mijn persoonlijkeverzorgingsinventaris hiervoor bestond uit;
1. Deodorant
2. Algemene douchegel
3. Pommade
is de hoeveelheid spullen op het plankje boven mijn gootsteen verveelvoudigd. De slecht bevoorrade badkamer was één van de weinige aspecten aan mij die echt mannelijk was. Ik was dan ook een beetje huiverig om te investeren in veel haarverzorgingsproducten, en zo mijn toch al gemankeerde gevoel van mannelijkheid helemaal weg te cijferen. Want ook, wat is het punt van een grote mannelijke baard hebben als die de hele dag naar perzik en viooltjes ruikt?

Wat ik mij toen echter nog niet realiseerde, was dat er naast de gebruikelijke haarverzorgingsproducten ook gespecialiseerde baardverzorgingsproducten bestaan. Deze shampoo’s, oliën, en wassen komen niet in roze knijpflessen, maar in metalen blikken. Ze ruiken niet naar bloemen, maar naar leer en bomen. Op de verpakkingen staan inktdrukken van ouderwetse mannen met grote snorren. Dat is fijn. Op die manier kan ik mezelf wel lekker in de watten leggen en mooi maken, zonder me te voelen als het bèta-mannetje dat ik eigenlijk ben.

2400 x onnodig Engels

Ik was wat random aan het surfen en vond per toeval een interessante woordenlijst; 2400 x onnodig Engels. Deze lijst verschaft de lezer een flink aantal veelgebruikte Engelse woorden met het Nederlandse alternatief daarnaast. De radicale groepering achter dit project, Stichting Nederlands, is ervan overtuigd dat verengelsing onze taal devalueert. Ze waarschuwt voor een taalrevolutie, die zich nu al stilletjes voltrekt. “Als voertaal”, zo schrijven ze bovendien, “wordt het Nederlands steeds vaker vervangen door het Engels, zowel op universiteiten, bij bedrijven en elders in de samenleving. Hierdoor kun je op steeds minder plekken met het Nederlands uit de voeten, en dat is verkeerd”. Vanuit een gut feeling, als liefhebber van taal, kan ik mij vinden in dit standpunt. Echter, puur rationeel bekeken vraag ik me af of verengelsing inderdaad automatisch devaluatie betekent en of de vervanging van Nederlands als voertaal door Engels op veel terreinen wel echt zo’n kwalijke ontwikkeling is.

Op het eerste gezicht lijkt het wat laat om het Nederlands te verdedigen tegen invloeden van buitenaf. Het Nederlands is al verpest. Het is tekenend dat het Nederlandse alternatief dat de woordenlijst voor het woord casual biedt quasi-nonchalant is. In dit woord zijn namelijk de twee primaire oer-verziekers van het Nederlands vertegenwoordigd: het Latijn en het Frans. Zowel quasi als nonchalant zijn rechtstreeks overgenomen uit deze twee voormalige wereldtalen. Representeert dit ‘Nederlandse’ alternatief in de redenering van Stichting Nederlands dan geen eeuwenoude devaluatie? Wie zich verder nog verdiept in de etymologie rondom nonchalant ontdekt vervolgens dat het Franse woord zijn oorsprong ook weer vindt in het Latijn. Over Latijn gesproken: de waarschuwingen van Stichting Nederlands zijn wat mij betreft vergelijkbaar met de ophef rondom de vernielingen die Feyenoorders aanrichtten in Rome. Rome is in vijfde eeuw al eens vernield door vandalen, het grootste gedeelte van het stadscentrum is al eeuwen een puinzooi, overal ruïnes. Nu, 1500 jaar te laat, wordt er ineens moeilijk gedaan.

Ik geloof niet dat het slecht is om beïnvloed te worden door een belangrijke wereldtaal. Ik zou zelfs zo ver willen gaan te pleiten voor de geleidelijke vervanging van het Nederlands als communicatietaal, door het Engels. Waarom is het verkeerd als een universiteit of een bedrijf voor het Engels kiest als voertaal? Voor universiteiten en veel bedrijven is het belangrijk de ogen op de wereld te richten. Los van de vraag of het verkeerd is of niet, communiceert onze wereld vooralsnog voornamelijk in het Engels. Het is dus logisch en verstandig dat universiteiten en bedrijven de overstap maken.

Oud-hoogleraar Nederlands Hans van den Bergh bepleitte in 2004 al eens voor de vervanging van het Nederlands. In zijn artikel Ape, Nut, Mies komt hij met zeer overtuigende argumenten op de proppen. Hij stelt allereerst dat het voor het functioneren van Europa als eenheid ontzettend onpraktisch is om alle kleine talen in stand te houden en als gelijkwaardig te beschouwen. Daarbij maakt hij de vergelijking met de Verenigde Staten, die ervoor gekozen hebben het Engels aan te nemen als voertaal. Verder voert van den Bergh aan dat het geweldig zou zijn voor Nederlandse schrijvers om het Engels te gebruiken. Wanneer zij dit doen zullen zij namelijk ineens toegang hebben tot een veel grotere markt.

In onze gemondialiseerde wereld zou het bekrompen zijn om al te krampachtig vast te houden aan het Nederlands. Dit betekent echter niet dat het Nederlands waardeloos is, en zal verdwijnen. Nederlands is een prachtige taal. Liefhebbers zullen het Nederlands nog altijd gebruiken voor hun proza en poëzie. De misbruikers, die door Stichting Nederlands worden vermaand, kunnen zonder gewetenswroeging overstappen op het Engels. Zij gebruiken taal toch slechts voor communicatie. Zij die van taal genieten om haar schoonheid vergeten het Nederlands niet. Misschien is de overstap op het Engels als nieuwe voertaal de beste bescherming tegen de verengelsing van onze taal. Vanaf de overstap op het Engels zullen de vandalen zich volledig richten op hun nieuwe taal en het Engels vernederlandsen, terwijl het Nederlands slechts een aangelegenheid van verstokte liefhebbers zal zijn.

Journaluistiek

Hoewel het gros van het nieuws dat dagelijks tot ons komt het gevolg is van matige journalistiek, stoorde ik mij in de voorbije dagen uitdrukkelijk aan twee voorbeelden van hoe journalistiek in elk geval niet moet. Ik heb niet de pretentie journalist te zijn of te weten wat lezers willen (het overtuigende bewijs daarvoor is dat ik voor Met Man en Muys schrijf), maar dat neemt nog niet weg dat zelfs ik soms in staat ben journalistieke gemakzucht te herkennen. En dat zegt iets.

In de lokale krant van de plaats waar ik woon, trof ik een stuk dat was geschreven naar aanleiding van de brandbrief die Wakker Dier aan staatssecretaris Dijksma had gestuurd. Daarin pleit de stichting tegen dierenleed voor wetgeving die het onverdoofd slachten van vissen moet tegengaan. Het was voor de lokale journalist reden genoeg om naar de plaatselijke haven te gaan en daar te vragen wat de vissers van dat voorstel vinden. Hun antwoord was voorspelbaar: “Ik denk niet dat vissen gevoel hebben. Ik heb nog nooit een schol van pijn horen schreeuwen als hij gestript wordt. Het is een onzinnig voorstel en ik denk dat het niks wordt.” Juist. Omdat een vis geen gemakkelijk herkenbare pijnsignalen afgeeft (daarbij bepaald niet geholpen door het feit dat een vis, bijvoorbeeld, geen stembanden heeft), rechtvaardigt dat de conclusie dat deze dieren geen gevoel hebben. En derhalve is onverdoofd slachten geen enkel moreel probleem.

Los van dat soort glibberige redeneringen: waar was de journalist nu eigenlijk op uit? Wat voor nieuwswaardige reactie had hij verwacht van de vissers? Het is namelijk in het belang van de visser dat we vissen toch vooral zien als lekkere en van de moraliteit los gezongen hapjes, in plaats van als de ontwikkelde dieren die ze zijn. De journalist had niet naar de haven gehoeven om te bedenken dat vissers het oneens zouden zijn met maatregelen die hen geld en reputatie kosten. Het enige, logisch voorspelbare antwoord dat de visserij had kunnen geven, is dat er niets mis is met hun praktijken; toegeven is jezelf onherroepelijk in de vingers snijden. Dus, wanneer verder ook een door feiten gestaafde discussie over het gevoelsleven van vissen uitblijft, wat is dan nog de nieuwswaarde van het stuk?

Een vergelijkbaar voorbeeld van ondermaatse journalistiek trof ik op een website voor autoliefhebbers. Want, ja: zo één ben ik er. In het filmpje dat ik op de pagina bekeek, werd een testrijder over een nieuw model ondervraagd. Eén van de vragen van de journalist was of de auto nog steeds evenveel rijplezier bood als het vorige model. De vraag werd gesteld met een glimlach op het gezicht; de journalist begreep zelf schijnbaar ook dat het een onzinnige vraag is om te stellen aan een testrijder, die nota bene meewerkte aan de ontwikkeling van de auto en bovendien betaald wordt door het bedrijf dat die auto wil verkopen. Dus natuurlijk was het antwoord ‘jazeker!’. Even voorspelbaar was de respons op de vraag of de auto nu sportiever of juist comfortabeler is geworden: allebei, uiteraard! Daarmee kregen we precies te horen wat we gegeven de situatie allang wisten. Geen onvertogen woord en louter positieve geluiden van iemand die een belang te beschermen heeft. Maar, nogmaals, wat is de nieuwswaarde hiervan?

Er is niks mis met vragen naar de bekende weg. Het kan geen kwaad zo nu en dan bevestigd te zien wat we al wisten. Maar beter is het om juist verrast te worden, om ongelijk te krijgen en het tegendeel te moeten verkennen. Zo informeren we ons en worden we wijzer. En dat, zo lijkt mij, is een uitgelezen taak voor de journalistiek.

 

Een renaissance

Een paar dagen terug verraste ik mijzelf, met hoe boos ik was. Ik ben niet vaak boos, dus dat was op zich al opmerkelijk, maar meer nog was het de situatie die mij boos maakte die mij verraste. Ik keek de Magic: The Gathering Pro Tour. Voor zij die minder nerderig zijn dan ikzelf; Magic: The Gathering is een spel waarbij twee spelers doormiddel van het spelen van kaarten elkaars levenspunten naar nul proberen te krijgen, en zo te winnen. De Pro Tour is het op één na grootste toernooi in dat spel en wordt live uitgezonden op YouTube. Ik heb echter vaak geen tijd om dat live te volgen (het zijn drie dagen van acht uur) en bekijk de wedstrijden later. Ik was bij de halve finale aanbeland. Toen ik de eerst geüploade halve finale aanzette waren de eerste woorden van de commentator iets in de volgende trant: “(Halvefinalist uit de andere halve finale) is zojuist doorgegaan, laten we gaan kijken tegen wie hij het op moet nemen in de finale.” Magic: The Gathering had de wedstrijden in de verkeerde volgorde geüpload en ik kwam zo dus al de uitkomst te weten van een wedstrijd die ik nog moest kijken. Iets dergelijks gebeurde me twee maanden terug bij het wereldkampioenschap Magic ook al. Ik was pas halverwege en toen zag ik een foto van de winnaar op de officiële Magic-Facebookpagina voorbij komen. Het feit dat ik me daar zo over opwond past in een ontwikkeling die ik bij mezelf bemerk; ik ben het laatste jaar aanzienlijk nerderiger geworden.

Ik speelde op de middelbare school altijd al Magic (wij deden dat in een apart klaslokaal, omdat we als we dat in de kantine deden teveel werden gepest), ik heb me altijd ongemakkelijk gevoeld bij het overtreden van regels, en als ik terug kijk naar mijn kledingkeuze staat het schaamrood mij op de kaken. Toch zou ik mezelf in die tijd (waarschijnlijk ten onrechte) nooit een nerd hebben genoemd. De laatste tijd doe ik echter veel nerderigere dingen dan toen. Niet alleen speel ik weer Magic, maar kijk ik ook Magicwedstrijden na op het internet, lees ik tot diep in de nacht artikelen over kaartcombinaties, en wordt ik blijkbaar oprecht boos wanneer ik in die dingen gehinderd word. Ook ben ik recentelijk begonnen met het ultieme nerdvermaak, Dungeons and Dragons, en luister ik podcasts waarin andere mensen dat spelen.

Ik heb in het afgelopen jaar mijn innerlijke nerd herontdekt. Ik omarm mijn nerdzijn en dat is heel bevrijdend. Ik heb zelfs anderen mee kunnen slepen. MMeM-collega Thomas de Looier en ik hebben nu al twee keer tot diep in de vroege ochtend Magic gespeeld, terwijl hij tot voor kort niets van het spel moest weten. De groep waarmee ik Dungeons and Dragons speel bestaat voor het grootste gedeelte uit mensen aan wie ik moest uitleggen dat D&D níet ‘toch zo’n computerspel ofzo’ was.

Ik kan iedereen ten zeerste aanraden eens uit zijn of haar comfortzone te stappen en iets te proberen waarvan ze eerst denken dat het niets voor hen is. In het ergste geval heb je een verspilde middag, in het beste geval een nieuwe passie. En gepassioneerde mensen zijn sexy.

Leelah Alcorn

Ik luister graag naar de uitstekende podcast van Dan Savage, ‘The Savage Lovecast.’ Voor de mensen die hem niet kennen: Savage is een bekende, Amerikaanse adviescolumnist en beroepshomo. Wanneer er iets gezegd moet worden over homoseksualiteit, homohuwelijken, transseksualiteit of iets anders wat de gemiddelde Amerikaan maar vies vindt, is Dan vaak de eerste die gebeld wordt. In zijn podcast bellen mensen met vragen over relaties en seks, welke hij dan beantwoord. Hij is een erg grappige man, en ik durf best toe te geven dat ik een hele hoop geleerd heb van zijn programma. Gaat en luistert!

Hij opent zijn programma vaak met een tirade over iets uit de actualiteit. Vaak iets over seks, relaties of iets homogerelateerd, maar ook dikwijls over politiek. Ik ben er niet bijzonder in geïnteresseerd, dus naast de echt grote dingen die ik nog wel eens via de krant binnenkrijg is de Lovecast mijn enige bron van Amerikaans homonieuws. (Ik hoop dat ik het eigenlijk niet hoef te zeggen, maar ik ben natuurlijk geheel voorstander van gelijke rechten voor homoseksuelen. Mijn gebrek aan interesse is alleen dat, en niet afkomstig van homofobie.) Ik loop een paar weken achter met luisteren, dus het nieuws dat ik wil bespreken is ondertussen al geen nieuws meer, maar ik hoorde het pas vanavond voor het eerst.

In aflevering 428 opent Dan met een bespreking van het nieuws dat de transseksuele tiener Leelah Alcorn voor een vrachtwagen is gelopen en zo zelfmoord heeft gepleegd. Zij heeft, conform de tijdsgeest, een digitale zelfmoordbrief geschreven, die zoals ingepland na haar overlijden op haar Tumbler pagina verscheen. In de brief legt Leelah de schuld van haar ongelukkigheid vooral bij haar fundamentalistisch christelijke ouders. Zij accepteerde Leelah niet als vrouwelijk, hielden haar thuis ingesloten en ontzegde haar contact met de buitenwereld en normaal tienerleven. Savage pleit voor vervolging van de ouders.

Ik vind transseksualiteit altijd een moeilijk onderwerp. In mijn persoonlijke beleving is geslacht puur een omschrijving van iemands fysiologie. Ik vóel me niet zozeer een man, als dat ik weet dat ik een piemel heb. Noch voel ik me erg niet-vrouw. Ik vind het net zo onbegrijpelijk als een lang persoon die zich gevangen voelt in een kort persoon’s lichaam, hoewel dat vast ook wel een bestaand iets zal zijn. Ik wil hiermee niets afdoen aan de ervaringen van transseksuelen. Ik geloof helemaal dat het om een echt iets gaat, en sta volledig achter ze wanneer het gaat om hun pogingen om geaccepteerd te worden voor wie ze zijn. Dat neemt echter niet weg dat ik mezelf er zo af en toe aan moet herinneren dat het daadwerkelijk iets is waar transseksuelen het heel moeilijk mee kunnen hebben, en dat het wel degelijk een heel serieus probleem kan zijn als er door de omgeving van die persoon niet goed mee om wordt gegaan.

Ik wist dat de zelfmoordcijfers onder homoseksuele en transseksuele jongeren schokkend hoog waren. Ik dacht dat dat kwam doordat pubers allemaal hufters zijn en elkaar diep ongelukkig pesten wanneer ze daar een excuus voor kunnen vinden. Waar Dan Savage mij echter op moest wijzen is dat het vaak, zo ook in het geval van Leelah Alcorn, niet de leeftijdsgenoten zijn die LHBT-jongeren de dood in pesten, maar juist de ouders. Ik ben benieuwd of dat in het liberale en seculiere Nederland ook het geval is, maar de enige verslagen van dergelijk onderzoek die ik kan vinden, gaan over Amerikaans onderzoek.

Of de ouders van Leelah Alcon vervolgd moeten worden weet ik niet. Mijn eerste instinct zegt van wel. De wet gaat echter niet over wat mijn eerste instinct zegt, maar over wat mensen die slimmer zijn dan ik na lang nadenken hebben opgeschreven over wat juist is en wat niet. Dat is waarschijnlijk maar beter ook. Van wat ik kan zien vanachter mijn computerscherm, een halve aardbol verwijderd, hebben we het hier echter over een dood en jaren van ongeluk die daaraan vooraf gingen die voorkomen hadden kunnen worden. En dat is verdomde kut.